Opinie

Racisme, kolonialisme en de infantilisering van de geschiedenis

Moralisme Antiracisme of excuses uit het heden kunnen de grens met het verleden niet slechten. Er is niet één juiste manier om naar de geschiedenis te kijken, betoogt
De ‘door of no return’ (‘deur zonder terugkeer’) in een van de huizen voor tot slaaf gemaakten bij Dakar, Senegal.
De ‘door of no return’ (‘deur zonder terugkeer’) in een van de huizen voor tot slaaf gemaakten bij Dakar, Senegal. Foto Wolfgang Kaehler / Getty Images

Het huidige debat over slavernij, kolonialisme en racisme, heeft een opmerkelijk, ja misschien enigszins verontrustend aspect. Dan gaat het niet om de oplaaiende hartstochten, en zeker niet om de betrokken stellingen. Die zijn nieuw noch verrassend voor wie de discussie de afgelopen decennia volgde. Opinies in het tijdperk van hun digitale reproduceerbaarheid leiden blijkbaar niet slechts tot herhalingsdrang, maar ook tot geheugenverlies.

Het aspect dat uit geschiedkundig oogpunt wel opmerkelijk is, heeft te maken met de excuses over slavenhandel en kolonialisme. Hier vindt de herhaling van zetten plaats op een verschuivend speelveld.

Dat begon in 2000, op het moment dat toenmalig minister-president Wim Kok (PvdA) uitsprak dat het Nederlandse optreden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog „spijtig” was. Kort daarop, in 2001, betuigde minister Roger van Boxtel (D66) namens de regering „diepe spijt” over het slavernijverleden. En in 2005, stelde minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA) dat Nederland tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië „als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis” stond – J.L. Heldring was het in NRC (25/8 2005) ronduit met de minister eens, hoewel hij het optreden van Nederland wel verklaarbaar vond. Uiteindelijk bood dit voorjaar koning Willem-Alexander aan Indonesië echte excuses aan „voor de geweldsontsporingen van Nederlandse zijde”.

Lees ook: En dan decennia later maakt ook het staatshoofd excuses voor excessief geweld in Indonesië

Dat de Koning sorry zei, is interessant genoeg, maar belangwekkender nog is dat hij dit deed „in het volle besef dat de pijn en het verdriet van de getroffen families generaties lang voelbaar blijven”. Dit doet de vraag rijzen of hier een nieuw historisch besef daagde, of dat de voorspelling van pijn en verdriet in de toekomst juist een gebrek daaraan onthulde. Was hier sprake van geschiedkundig inzicht, of van therapeutisering van het verleden?

Geschiedenis als morele therapie

Johan Huizinga stelde dat geschiedenis niets is dan „den geestelijke vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden”, maar hij zei er niet bij dat men die geestelijke vorm voetstoots dient te accepteren. Onlangs mopperde de historicus Simon Schama dan ook: „Tegenwoordig acht men het een misverstand dat geschiedenis over het verleden gaat.” Hij bedoelde dat door een erosie van de grens tussen toen en thans geschiedschrijving dreigt te veranderen van probleemgerichte studie van het verleden naar morele therapie voor het heden.

Schama’s opmerking is van belang voor het hier bedoelde debat, waarin voorbeelden van dat demarcatieprobleem niet zeldzaam zijn. Neem de kop ‘Voer het moeilijke gesprek over de Afrikaanse rol in de slavernij’ in NRC (28/8) boven een bijdrage over slavenhandel in prekoloniaal Afrika. Die suggereert dat het geschiedkundige onderwerp versmelt met het gesprek daarover in het heden.

Blijkbaar is het bij een vervagende grens tussen heden en verleden ‘moeilijk’ te accepteren dat slavernij altijd heeft bestaan: bij de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen, de Kelten, de Vikingen, de Native Americans, de Turken (tot begin twintigste eeuw), de Chinezen (tot 1949), de Arabieren (in Oman tot 1970), en ook in pre-koloniaal Afrika.

Grensprobleem

Eenzelfde grensprobleem doet zich voor bij de diagnose van het Nederlands koloniale optreden als ‘racistisch’. Hier rijst de vraag of de term ‘racisme’ in geschiedkundige zin betekenis heeft. Was de Nederlandse koloniale oorlog racistischer dan de dekolonisatieoorlog tussen Frankrijk en Algerije (1954-1962), of dan die tussen Portugal en Guinee-Bissau (1963-1974), of dan het Britse optreden tijdens de Mau Mau revolte in Kenia (1952-1960)?

Blijkbaar is het bij een vervagende grens tussen heden en verleden ‘moeilijk’ te accepteren dat slavernij altijd heeft bestaan

Het is twijfelachtig of deze vraag beantwoord kan worden, en derhalve of de term ‘racistisch’ zinvol is voor het verleden, waarin racisme zoals wij het nu opvatten endemisch was. Mede omdat het begrip tegenwoordig alles lijkt te omvatten tussen lynchpartijen, Apartheid, Robbeneiland, Sharpeville en Alabama 1956 enerzijds en Zwarte Piet, arbeidsdiscriminatie en de vraag ‘waar kom je vandaan?’ anderzijds, dreigt hier een anachronistisch moeras.

Hetzelfde probleem speelt bij de diverse adviescommissies die zich buigen over de vraag in welke mate slavernij en kolonialisme doorwerken in de huidige Nederlandse samenleving.

Verleden werkt integraal door

Helaas voor de commissies werkt het verleden altijd integraal door. Dus als de slavernij doorwerkt, werkt ook de afschaffing ervan door, en als de uitbuiting doorwerkt, werkt ook culturele uitwisseling door, enzovoort, in een onontwarbare complexiteit.

Lees ook: Voer het moeilijke gesprek over de Afrikaanse rol in de slavernij

Net zo kwestieus is het of de commissies de vraag kunnen beantwoorden op welke wijze slavernij en kolonialisme de manier hebben beïnvloed hoe nu naar mensen van kleur wordt gekeken. Te meer omdat samenlevingen zonder koloniale geschiedenis niet zelden negatiever naar gekleurde mensen kijken dan landen met een koloniaal verleden (zoals The Washington Post op 15 mei 2013 in kaart bracht).

Kern van de zaak

Kern van de zaak is dat een moralistische veroordeling van het verleden iets anders is dan een moreel perspectief erop. Er bestaat niet één juiste manier om naar de geschiedenis te kijken, maar de demarcatie tussen heden en verleden is wezenlijk, en kan niet worden geslecht door antiracisme of excuses die geworteld zijn in het hier en nu. Beslissend is slechts welke argumenten het grootste probleemoplossend vermogen hebben om het verleden te begrijpen als verleden. Wie de intellectuele grensbewaking tussen heden en verleden, tussen historie en ethiek, tussen argument en beter argument opgeeft, maakt de geschiedenis tot een infantiele ballenbak, en laat geschiedkundige vraagstukken verwateren tot quasi-morele kwesties voor praatprogramma’s en clickbait journalistiek.

Ooit zal iemand excuses eisen voor onze rol hierin. Wij veronachtzaamden immers de leefregel voor elke historicus en elke journalist die werd geformuleerd door Ben Bradlee, hoofdredacteur van de Washington Post tijdens het Watergate-schandaal: „De wereld is niet geïnteresseerd in wat wij vinden, maar in wat wij weten, ook al is dat doorgaans niet veel.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.