Recensie

Recensie Boeken

Waarom deze historicus de term ‘Gouden Eeuw’ niet laat vallen

De Gouden Eeuw De eeuw was niet voor iedereen een feestelijke periode, denk maar aan de slaven. Toch is er genoeg reden om ‘Gouden’ te blijven gebruiken, vindt historicus Maarten Prak.

Een episode uit de Tweede Engelse Zeeoorlog: na de Vierdaagse Zeeslag in 1666 worden veroverde Engelse oorlogsschepen het Goereese Gat binnengebracht. Schilderij van Willem van de Velde.
Een episode uit de Tweede Engelse Zeeoorlog: na de Vierdaagse Zeeslag in 1666 worden veroverde Engelse oorlogsschepen het Goereese Gat binnengebracht. Schilderij van Willem van de Velde. Foto Collectie Rijksmuseum.

Duivenpoep uit Friesland was het beste. Die moest je mengen met schapenmest uit Holland, Zeeland of Groningen en vervolgens verspreiden over het land. Dan groeide de tabak op de Veluwe als kool. Het is nu moeilijk voor te stellen, maar rond 1700 was dit natuurgebied het kloppend hart van de Nederlandse tabaksteelt. Rondom Wageningen was zelfs de helft van alle landbouwgrond met tabak beplant. De Nederlandse rookwaar kwam in de zeventiende eeuw dus lang niet allemaal van overzee.

Met dit soort fijne weetjes zorgt hoogleraar sociale en economische geschiedenis Maarten Prak in ieder hoofdstuk van zijn nieuwe boek Nederlands Gouden Eeuw wel voor een paar aangename verrassingen. Het maakt dat dit bondige overzicht van 300 pagina’s ondanks zijn grote informatiedichtheid prettig leesbaar blijft. En dat is maar goed ook, want het publieke debat kan dit boek dat meer feiten dan meningen bevat momenteel prima gebruiken.

Prak, die doceert aan de Universiteit Utrecht, publiceerde in 2003 al Gouden eeuw: Het raadsel van de Republiek. De afgelopen twee decennia is er echter zo veel onderzoek gedaan dat soms radicaal nieuwe inzichten heeft opgeleverd, dat grondige herziening van dit overzichtswerk nodig was, meende Prak. Daarom is Nederlands Gouden Eeuw. Vrijheid en geldingsdrang ‘een nieuw boek’, schrijft hij in zijn verantwoording.

Dat dit een nieuw boek is, wordt meteen duidelijk in de inleiding, waar Prak ingaat op zijn beslissing om überhaupt de term ‘Gouden Eeuw’ nog te gebruiken. Het Amsterdam Museum ziet daar sinds vorig jaar van af, omdat de zeventiende eeuw lang niet voor iedereen blonk – denk aan armen en slaven.

Rijke Holland

‘Hoewel ik de bedenkingen serieus neem’, schrijft Prak, ‘heb ik de term „Gouden eeuw” niet laten vallen. Historici gebruiken woorden als Renaissance, Verlichting, Industriële Revolutie en ook Gouden Eeuw om een bijzonder kenmerk van een periode te benoemen. Die termen zijn een verregaande versimpeling van de werkelijkheid. [...] In de Gouden Eeuw waren welvaart en vrijheid dus inderdaad niet voor iedereen weggelegd. Toch gebeurde er in die eeuw iets heel bijzonders: Nederland ontstond als onafhankelijk land en werd meteen een dominante speler in de wereldeconomie.’

Dat lukte de Republiek, aldus Prak, omdat er hier sprake was van een unieke synergie tussen de mondiale economie en de kleinschalig ingerichte institutionele structuur. Omdat de macht in Nederland niet lag bij een verre vorst of bureaucratie, maar bij provincies en zelfs individuele steden, konden burgers en regenten razendsnel inspelen op nieuwe economische en politieke ontwikkelingen.

Daarbij was sprake van een permanent conflict tussen de droom van regionale autonomie en de noodzaak van onderlinge samenwerking, laat Prak zien. Zodra die noodzaak wegviel, bijvoorbeeld als het vrede was, werd de kostbare samenwerking op het gebied van leger en vloot meteen minder populair. Vooral de kooplieden uit het rijkste gewest Holland waren er dan als de kippen bij om de geldkraan dicht te draaien. Een leger van 100.000 man op een bevolking van een kleine twee miljoen mensen, zoals dat werd opgetrommeld na de inval van de Franse koning Lodewijk XIV in het ‘Rampjaar’ 1672, was dan ook een enorme uitgave. De kosten bedroegen 100 miljoen gulden, vijf keer het normale budget van de Staten-Generaal.

Een vreselijk leven

De Gouden Eeuw liep van 1609 – het begin van het Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog – tot ergens tussen 1672 en 1703, toen Nederland na jarenlange oorlogen met Engeland en Frankrijk een stapje terug moest doen op het internationale toneel. Prak behandelt deze periode thematisch: eerst komen de oorlogen en buitenlandse politiek aan bod, daarna de economie en maatschappij, dan de politiek en het bestuur, om te eindigen met de kunst en cultuur.

In het hoofdstuk over het fenomeen vrijheid schrijft hij uitgebreid over de slavernij. Hoewel de achttiende eeuw dé eeuw van de Nederlandse slavernij was, voerden Nederlandse handelaren ook in de zeventiende eeuw al een kwart miljoen mensen naar een vreselijk leven in koloniën in West- en Oost-Indië. De Republiek liep hierbij ver achter bij de Engelsen, Portugezen en Fransen, maar dat noemt Prak ‘een schrale troost’.

Het Nederlands overzees gebied was meestal niet ontdekt door vredelievende ondernemers, maar te vuur en te zwaard veroverd – en niet alleen door Jan Pieterszoon Coen. Een VOC-vloot kreeg in 1603 bijvoorbeeld de opdracht Portugese schepen in Goa op de Indiase kust ‘te tracteren alse de onse doen’, dat wil zeggen, ze te ‘verdelgen, vernielen, inde brand ofte inden grond te schieten’. De Republiek speelde het geopolitieke spel volgens de regels van de tijd – keihard.

Een vleugje zelffelicitatie

Bij alle nadruk op deze mondiale verwikkelingen, ook in het huidige debat, is het goed om in het achterhoofd te houden dat de koloniale handel in de zeventiende eeuw goed was voor slechts tien procent van alle handelsstromen. De rest was Europese handel, waarvan de zogenoemde ‘moedernegotie’ met graan uit het Oostzeegebied aan de basis lag van de Nederlandse welvaart.

Prak schat de economische impact van de op slavernij gebaseerde economie aan het eind van de zeventiende eeuw – gebaseerd op cijfers uit de achttiende eeuw – op zo’n 2,5 procent van het bbp. Daaruit concludeert hij ‘dat slavernij een significant deel uitmaakte van de toenmalige economie, maar niet zo’n groot deel dat het de stelling rechtvaardigt dat de Gouden Eeuw te danken zou zijn aan de slavernij.’

Wie Praks boek uit 2003 erbij pakt, komt tot de conclusie dat er de afgelopen jaren inderdaad veel belangrijk onderzoek is gedaan. De meest opvallende verandering zit hem misschien wel in de toon van het boek. In 2003 eindigde Prak zo: ‘Tot in de twintigste eeuw was Nederland een wereldmacht, een positie waaruit Nederlanders op allerlei manieren profijt trokken. De Nederlandse cultuur raakte bekend in de hele wereld. En dat allemaal dankzij de Gouden Eeuw.’ Een feitelijke conclusie, met een vleugje zelffelicitatie.

Optimisme

In 2020 heeft Prak hier een lange alinea aan toegevoegd, waarin hij resumeert wat er niet goed ging in de Republiek: de discriminatie van vrouwen en katholieken, de armoede van grote delen van de bevolking, de slavenhandel. Toch was er in Nederland iets bijzonders aan de hand, dat met de term ‘Gouden Eeuw’ benoemd kan worden, concludeert hij. ‘Het optimisme dat die term uitstraalt, laat onverlet dat er tegelijkertijd en als onlosmakelijk onderdeel van de vooruitgang in die periode, dingen gebeurden die toen en nu als verwerpelijk moeten gelden.’ Een moreel oordeel, met een vleugje schuldbesef.

Leidt zo’n coda tot een beter begrip? Nou nee. Het zijn toch vooral de feiten die moeten spreken – en dan natuurlijk niet alleen feiten over stadhouders, kooplieden en militaire helden, maar ook over slaven en armelui. Dan trekt de lezer zelf zijn conclusies wel. Gelukkig zit Praks boek boordevol feiten: deelnemers aan de brede maatschappelijke discussie over het Nederlandse verleden doen er hun voordeel mee. Nu maar hopen dat ze niet te druk zijn met twitteren.