De Eilanden van Amsterdam in De Gouden Reael

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Het was het tweede boek van Jan Mens (1897-1967): De Gouden Reael. Het verscheen in 1940 en was meteen een sensationeel succes. Het zal Theo Thijssen, die de werkloze timmerman met schrijfambitie op allerlei manieren had geholpen zijn droom te verwezenlijken, ongetwijfeld plezier hebben gedaan. In het begin van de jaren vijftig was het boek nog zo populair dat mijn moeder me meenam naar de Zandhoek om me te laten zien waar het speelde.

Want dat is het mooie van De Gouden Reael, als je in de Sloterdijkstraat over de wipbrug de Eilanden op gaat, loop je de roman binnen. De door Griet Manshande gedreven kroeg De Gouden Reael ligt weliswaar aan de rand van de Eilanden, maar in het boek horen ze bij elkaar, al was het maar omdat ze zonder uitzondering klanten leveren voor Dolle Griet. Die zo heet omdat ze prinses Wilhelmina eens een zoen gaf in haar rijtuig. De Gouden Reael speelt in een tijd dat rijpe vrouwen, zoals Griet, nog pront werden genoemd en een huid hadden die blank over het vlees lag, met iets weeks er in, ‘iets blonds en lichts, dat denken doet aan rijp koren’. Toen mannen nog mannen waren die werkten voor de kost.

In het eerste hoofdstuk zie je ze naar De Gouden Reael komen, de losse sjouwers, de scheepsbeschieters, de ketelbikkers, binnenschippers, boekjesgasten, bestekzoekers, reepgasten, stekers, wegers, overhoekers, ‘heel dat ruige volk dat leeft bij de dag en niet denkt aan morgen, dat een zak vol zilver verdient en ’t weer laat rollen’. Terwijl Griet tapt, kiert de deur van het café ineens open: ‘daar is Jane. Een reuk van frisheid hangt rond haar, een frisheid als na een regenbui op een hittedag’.

„’k Heb even ’n Haarlemmerdijkie gemaakt”, zegt de koffiepikster (op Insulinde in de Houttuinen) tegen haar moeder. Een paar tellen later maakt Jan Witte zijn entree. Hij heeft rood haar, drinkt koffie en komt ‘van Den Helder’. Jan Witte is biljartmaker en naar de stad gekomen om ‘hier een eerlijk stuk brood te verdienen’. Jane brengt hem naar een logement op de Herenmarkt en onderweg wordt ze verliefd. Jan Witte, die een half uur eerder nog niemand kende in de stad, denkt: ‘Jane, dat jonge kind uit de herberg op de Zandhoek – hoe was hij daar zo te land gekomen – Jane kent hij toch? En haar moeder, die stevige blonde vrouw, immers óók… Een moeder, een dochter, die kènt hij.’ Let op de drie puntjes! ‘De een houdt van de moeder, de ander van de dochter en sommigen van allebei’, zei mijn vader graag. Het is een mooi verhaal van Griet en Jan en Jane, maar de hoofdpersoon van De Gouden Reael is de stad, zijn de Eilanden, zoals ze waren en zijn.

De 26ste druk van De Gouden Reael verscheen in 2013 bij Querido.

schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.