Prinsjesdag op tv en de jacht op Perzische poëzie

Zap De tv bracht op Prinsjesdag vooral in kaart wat er niet was. De kunstdetective, op jacht naar Perzische poëzie, blijkt bang voor een spin. En de Ridderzaal had een nieuwe bloemist.

Arthur Brand wacht op een informant in De kunstdetective (Omroep Max).
Arthur Brand wacht op een informant in De kunstdetective (Omroep Max).

Verslaggever Kysia Hekster nam – heel lief – in het NOS Journaal Oranjefan Arno Tax mee naar zijn balkon. Daar wuifde de man die de balkonscène zo miste op zijn feloranje schoenen naar zijn eigen straat. De Prinsjesdagverslaggeving was in belangrijke mate het in kaart brengen van wat er niet was, met als klapstuk de eenzaamheid van verslaggever Martijn Bink vóór Paleis Noordeinde, nadat de schaarse bezoekers net naar de achterzijde van het paleis waren gehold, in de hoop daar nog een oranje glimp te vangen.

Wopke Hoekstra was er natuurlijk wel: met zijn koffertje in de Tweede Kamer, met zijn koffertje in het journaal en met zijn koffertje in De vooravond, alwaar bleek dat hij ook met zijn koffertje op de rol stond bij Op1. „U zit niet óók in Opsporing Verzocht?” wilde Renze Klamer voor de zekerheid weten – een anchor kent zijn programmagids.

Om kofferverzadiging vóór te zijn richtte ik mijn vizier op De kunstdetective, waarin Arthur Brand het ene na het andere gestolen werk tevoorschijn tovert. Dinsdag kaapte hij een veertiende-eeuwse dichtbundel van de grote Perzische dichter Hafez weg voor de neus van de Iraanse geheime dienst – daarover zo meer.

Spin

In de loop van dit tweede seizoen wordt de amusementswaarde van het programma steeds meer bepaald door de eigenaardigheden van Brand zelf. Vorige week was hij in zijn kuif gepikt omdat de universiteit van Oxford twijfelde aan de authenticiteit van een door hem teruggevonden ring van Oscar Wilde. De academici draaiden bij, maar Brand vertikte het om naar de ceremonie ter ere van de wederkeer van de ring te komen: „Ik ga daar niet tussen die stiff upper lips staan.”

Dinsdag was zijn ongenoegen van een geheel andere orde. Bij zijn speurtocht was hij beland in een smoezelig Londens hotel, alwaar hij zich opwond over de gebrekkige ruimte en de volgens hem zelfs een duikboot onwaardige sanitaire voorzieningen. Toen spotte hij de werkelijke bedreiging: een spin! De cameraman moest eraan te pas komen om het geleedpotige gevaar af te voeren: „Als hij valt, dan ben ik hier weg!” De man die ijskoud onderwereldfiguren onder druk zet, raakte ernstig uit zijn evenwicht door een zeer klein dier.

Aldus door het oog van de naald gekropen, hield Brand een dag later de bundel van Hafez in handen. Het boek was gestolen uit de erfenis van een verzamelaar in München en de Iraanse geheime dienst wilde het koste wat kost in handen krijgen. Uiteindelijk moest Brand het vanuit Londen naar Nederland smokkelen, wat een heel gedelibereer opleverde over de vraag of de metaaldetector op het vliegveld zou aanslaan op het bladgoud in het boek.

Mooi was dat niet alleen het verhaal van de speurtocht werd verteld, maar dat de makers ook hun best deden om duidelijk te maken hoe belangrijk de poëzie van Hafez is voor miljoenen Iraniërs, in het land zelf en in de diaspora. Prachtig waren de beelden van oude mannen die verschillende versies van de gedichten vergeleken. „Kijk: in deze versie staat niet meer ‘in haar zachte armen’, maar ‘in jouw zachte armen’.”

Bloemen in de Ridderzaal

Na de liefdevolle poëzieanalyse in De kunstdetective, kwam Nieuwsuur nog met het treurige verhaal van een grote verliezer van de corona-prinsjesdag: Ton Verzijl, de bloemist die zeven jaar de bloemen in de Ridderzaal verzorgde, was botweg aan de kant geschoven ten gunste van ‘een evenementenbureau’. Ik keek nog even naar de beelden van de Troonrede. En ja hoor: de bloemen naast de troon waren verre van koninklijk. Te fel, te groot, te vettig. Pandemie of niet: geef ons de bloemen van Verzijl terug!

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.