Recensie

Portrettekening van de zestienjarige Adolf Hitler door een medeleerling.

Foto Museum Niederösterreich

Recensie

Portret van Hitler als doodgewone jongen

De jonge Hitler In het Oostenrijkse St. Pölten is een expositie over de jonge Hitler. Als jongeling spreekt hij met achting over het Joodse volk, al vindt hij wel dat Joden vreemd ruiken.

‘Het einde staat aan het begin.” Met deze woorden wordt de bezoeker ontvangen van de tentoonstelling De jonge Hitler – Bepalende jaren van een dictator. 1889-1914, die in het provinciestadje St. Pölten, zo’n 65 kilometer ten westen van Wenen, in het Museum Niederösterreich te zien is. Met die woorden begint ook het gelijknamige boek dat de curatoren, de historicus en archeoloog Hannes Leidinger en de cultuurwetenschapper Christian Rapp bij de tentoonstelling hebben geschreven.

Een onbevangen blik op Hitler is onmogelijk. „De grote onheilsstichter van de Duitse geschiedenis”, noemt biograaf Volker Ullrich hem in zijn inleiding bij zijn tweedelige biografie van elk ongeveer duizend bladzijden. Niet alleen van de Duitse geschiedenis uiteraard.

De wereld lijkt niet genoeg van Hitler te krijgen, ruim tachtig wetenschappelijke biografieën zijn over de Führer verschenen, bibliotheken zijn over hem volgeschreven, over wat hij las, over zijn ideeën over kunst, over zijn al dan niet homoseksuele geaardheid, over mensen in zijn omgeving, over zijn verhouding tot Berlijn, tot München (Hauptstadt der Bewegung), over Eva Braun.

Hitler was geen psychopaat of monster, met deze typering maken we het ons te makkelijk. Met monsters hebben we immers niets gemeen. Net zo onjuist is het om hem af te doen als een clown die gebruikt is door het Duitse militaire en industriële establishment, die uiteindelijk aan hun controle ontsnapte. Voor over- en onderschatting moet worden gewaarschuwd. Alleen al het feit dat Hitler menige machtsstrijd in zijn eigen partij, de NSDAP, wist te overleven en zijn politieke tegenstanders naar zijn hand wist te zetten, geeft aan dat Hitler over talenten moet hebben beschikt. Maar welke talenten?

Leidinger en Rapp leggen de nadruk op het feit dat Hitler bijna de helft van zijn leven in Oostenrijk doorbracht. Hij groeide op in de laatste decennia van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk. De Weense satiricus Karl Kraus beschreef in zijn tijdschrift Die Fackel de eindtijd van de dubbelmonarchie, van de wereld. Kraus noteerde, in mijn parafrase: alles wacht, kelners, koetsjes en regeringen en bij het afscheid wensen de kelners hun cliëntèle een prettige Apocalyps toe.

Dat was rond de eeuwwisseling, Kraus kon niet vermoeden dat die Apocalyps zou worden bezorgd door een landgenoot die zijn hart had verpand aan Richard Wagner, die tot diep in de oorlog, toen de vernietiging op volle toeren draaide, zou volhouden dat zijn ware hartstocht eigenlijk de schone kunsten en de architectuur gold. De eindtijd als Gesamtkunstwerk.

Hitlers vader, Alois, in zijn uniform als douanier,
en zijn moeder, Klara.

Foto’s Museum Niederösterreich

De sterkste drug

Maar het einde is bekend, laten we toch maar bij het begin beginnen. Op een mooie zaterdag eind augustus bezoek ik samen met een tiental anderen de tentoonstelling over de jonge Hitler in St. Pölten. Een verdieping lager bevindt zich het Haus für Natur, waar de tentoonstelling Het klimaat en ik te zien is, daar is het drukker. Hitler mag dan, zoals biograaf Ullrich dat uitdrukt, nog altijd de sterkste drug zijn om aandacht te genereren, in St. Pölten lijkt die drug uitgewerkt, althans vandaag.

Op vijf minuten lopen van het museum bevindt zich de voormalige en inmiddels gerestaureerde synagoge van St. Pölten. In de tuin is een klein monument met daarop de namen van de vermoorde Joodse inwoners van St. Pölten. Later die middag zal ik bij de toeristeninformatie vragen of er nog Joden zijn in St. Pölten. Men moet mij het antwoord schuldig blijven, om eraan toe te voegen: „In de voormalige synagoge bevindt zich een Joods cultureel centrum.”

Ik loop alweer op de zaken vooruit. Het einde roept, terwijl het begin zo onschuldig is.

Op 17 juni 1837 baart Maria Anna Schicklgruber een buitenechtelijke zoon in het dorpje Strones bei Döllersheim, in het noordoosten van Oostenrijk, dichtbij de grens met Bohemen. De zoon wordt Alois genoemd, hij krijgt de achternaam van zijn moeder en vijf jaar later trouwt Maria Anna met de molenaarsknecht Johann Georg Hiedler. Nog voor de dood van Maria Anna, in 1847, wordt het kind aan de jongere broer van Johann Georg gegeven, Johann Nepomuk, die zijn achternaam niet als Hiedler spelt, maar als Hüttler.

De jonge Hitler was blij dat hij Adolf Hitler heette en niet Adolf Schicklgruber

Alois maakt carrière, zeker gezien zijn opleiding en afkomst. Hij wordt in 1875 tot douanier benoemd in Braunau, bij de Duitse grens, een ambtenaar in dienst van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie.

Dan, begin juni 1876, gebeurt er iets merkwaardigs. Johann Nepomuk Hüttler meldt zich bij een notaris en laat vastleggen dat Alois Schicklgruber zijn zoon is en niet, wat net iets meer voor de hand zou liggen, die van de negentien jaar daarvoor overleden Johann Georg Hiedler. In de akte van de notaris duikt voor het eerst de naam Hitler op. Of het om een schrijffout of een bewuste naamsverandering gaat is onduidelijk, zeker is dat vanaf die tijd Alois Schicklgruber als Alois Hitler door het leven gaat. Zeker is ook dat het onduidelijk is of een van de beide broers Hiedler-Hüttler-Hitler werkelijk de vader van Alois is, zodat vermoedelijk nooit zal worden opgehelderd wie Hitlers grootvader van vaderskant was. Vermoedens dat er sprake was van een Joodse grootvader zijn her en der opgedoken, maar nooit bevestigd.

Verscheidene biografen hebben opgemerkt dat door deze notariële akte het Duitse volk – en het Europese volk, voeg ik daaraan toe – het roepen van „Heil Schicklgruber” bespaard is gebleven. Ook de jonge Hitler zelf schijnt in zijn nopjes te zijn geweest dat hij Adolf Hitler heette en niet Adolf Schicklgruber.

Klassenfoto met Adolf in het midden op de achterste rij. Ongedateerde foto. Hij is vermoedelijk rond de 10 jaar oud.
Foto Museum Niederösterreich

Pedant

Alois was een pedante douanier die trots was op zijn uniform. Zijn privéleven was rafelig. Hij trouwde drie keer, eerst met Anna Glasl, die veertien jaar ouder was dan hij, toen met de serveerster Franziska Metzelsberger, die 24 jaar jonger was dan hij, en met wie hij een buitenechtelijk kind had, Alois jr., en later nog een dochter, Angela, maar Franziska stierf aan tuberculose en daarop trouwde hij met Klara Pölzl, 23 jaar jonger. Omdat Klara familie was van Johann Georg en Johann Nepomuk, volgens de notariële verklaring was zij een achternicht van Alois, moest de kerk toestemming geven voor dit huwelijk, maar die toestemming kwam. Franziska was overigens nog niet dood of Klara was al zwanger; Alois mocht een man zijn die strikt was in zijn werk, hij was minder strikt in de liefde. Zijn grote liefde overigens gold de bijenteelt.

Klara kreeg drie kinderen, Gustav in 1885, Ida in 1886 en Otto in 1887, ze stierven alledrie jong. Op 20 april 1889 zo tegen half zeven in de avond werd een vierde kind geboren dat ze Adolf noemden en dat het lievelingetje van zijn moeder zou worden. Klara was toen 28, Alois 51 jaar oud. Daarna volgden nog in 1894 Edmund, die in 1900 aan de mazelen zou sterven, en Paula uit 1896.

Het gezin Hitler verhuist vaak. Aanvankelijk is Adolf nog een goede, zelfs zeer goede leerling. In 1900 gaat hij naar de middelbare school in Linz. „Uit een tevreden leerling die vreugde aan het spelen beleefde, groeit een luie, koppige en eigenwijze jongere”, schrijft Hans-Ulrich Thamer in zijn buitengewoon compacte Hitler-biografie (slechts 300 bladzijden). Een andere beroemde leerling op deze school is de latere filosoof Ludwig Wittgenstein, een paar dagen jonger dan Adolf. Allebei hebben ze een hekel aan school, allebei zijn ze slecht in grammatica, allebei zijn ze buitenstaanders, maar Ludwig maakt zijn school wél af.

Op 3 januari 1903 sterft Alois Hitler in café Wiesinger in het dorpje Leonding, waar hij ’s ochtends heen was gegaan om een wijntje te drinken – Alois was vermoedelijk geen alcoholist, maar hield er wel van zijn dag met wijn te beginnen. Zoals veel vaders in die tijd sloeg Alois zijn zonen, iets waarover de latere Führer graag vertelde. Volker Ullrich houdt het echter voor onwaarschijnlijk dat Adolf zeer regelmatig door zijn vader zou zijn geslagen, Alois bemoeide zich namelijk niet met de opvoeding van zijn kinderen en wenste ook niet veel tijd vrij te maken voor het tuchtigen van Adolf. Volgens Ullrich vertelde Adolf dit graag om zijn moeder, die haar kinderen beschermd zou hebben tegen de afranselingen van de vader, in een beter daglicht te stellen. Zowel Ullrich als Thamer meent dat Adolfs moeder waarschijnlijk de enige persoon is van wie de latere Führer heeft gehouden.

Klara koopt een vleugel voor Adolf, hij krijgt pianoles en leert zijn leeftijdsgenoot August Kubizek kennen die Leidinger en Rapp de enige vriend noemen uit Hitlers jeugd. August wil musicus worden. Adolf is geobsedeerd door Wagner, leest alles over hem wat hij te pakken kan krijgen en bezoekt samen met August regelmatig de opera in Linz, dat voor een provinciestad een behoorlijk cultureel leven heeft. Bij die gelegenheden draagt Adolf een lange mantel en een hoed en hanteert hij een wandelstok met een knop van ivoor. Wat hem zo aan Wagner bevalt, schrijft Thamer, is de quasi-religieuze gedachte dat kunst de wereld zal veranderen en een nieuwe gemeenschap zal stichten.

Portrettekening van de zestienjarige Adolf Hitler door een medeleerling. Foto Museum Niederösterreich

Adolf verliefd

Adolf is verliefd op een zekere Stefanie Isak, die hij wel eens door de straten van Linz ziet lopen. Hij durft haar niet aan te spreken, maar schrijft haar in een brief, die hij niet ondertekent, dat hij naar de kunstacademie in Wenen zal gaan en met haar zal trouwen als hij terugkomt.

In het zwaar gemythologiseerde Mein Kampf schrijft Hitler: „Ik besloot kunstschilder te worden, voor geen goud van de wereld wilde ik ambtenaar worden.”

Hij komt door de eerste toelatingsronde van de academie, maar wordt in de tweede ronde afgewezen, omdat hij niet genoeg ‘hoofden’ zou hebben getekend. Hitler is zo aangeslagen dat hij zijn enige vriend en zijn dan al zieke moeder niet over deze nederlaag vertelt.

Klara Hitler heeft borstkanker en wordt behandeld door de Joodse arts Eduard Bloch. Ze sterft op 21 december 1907. Later zal Bloch verklaren: „In mijn hele carrière heb ik nog nooit iemand meegemaakt die zo door verdriet vernietigd was als Adolf Hitler.” Bloch zou de Jodenvervolging in Linz meemaken, maar uit dankbaarheid voor wat hij voor zijn moeder had gedaan gaf Hitler de Gestapo in Linz de opdracht Bloch te beschermen; het lukte Bloch om samen met zijn vrouw op het laatste moment Amerika te bereiken.

In 1908 doet Hitler een tweede poging om toegelaten te worden tot de kunstacademie, dit keer komt hij niet eens door het eerste examen. Eerder had de directeur hem al verteld dat hij meer iemand was voor architectuur.

Etnische spanningen

In die tijd is Wenen de vierde stad van Europa, een broeinest van culturele activiteit, maar ook van etnische spanningen. De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie is een multiculturele natie (Vielvölkerstaat), bestaande uit onder anderen Oostenrijkers, Hongaren, Tsjechen, Oekraïeners, Slowaken et cetera. De krachten om deze dubbelmonarchie te ontbinden en Oostenrijk en Duitsland samen te voegen zijn al aanwezig. Onder anderen Georg von Schönerer van de Alldeutsche Vereinigung streefde naar ‘germanisering’ van Oostenrijk en feitelijke opheffing van de dubbelmonarchie. Schönerer was een radicale antisemiet, maar ook antiklerikaal en een tegenstander van katholieke invloed op de politiek. Ohne Juda, ohne Rom, was zijn leus. Hitler schijnt van hem geleerd te hebben dat al te opzichtig antiklerikalisme strategisch onverstandig is.

Leidinger en Rapp maken onderscheid tussen het rabiate antisemitisme van Schönerer en het tactische, politieke antisemitisme van de Weense burgemeester Karl Lueger, een begenadigd spreker, die bezweert dat Wenen geen Jeruzalem moet worden en veel spreekt over de overmacht van de „Joodse pers”, die de belangen van het „grootkapitaal” zou vertegenwoordigen.

Zij die voor de eenwording van Oostenrijk en Duitsland waren, gebruikten het woord ‘Heil,’ zij die voor de dubbelmonarchie waren, gebruikten het woord ‘Hoch’ om hun strijd en medestrijders mee aan te prijzen. De openlijke droom van velen over de ontmanteling van de dubbelmonarchie zou werkelijkheid worden door de Eerste Wereldoorlog.

Hitler is naar eigen zeggen in Wenen antisemiet geworden. Ullrich bestrijdt dat. In Wenen onderhield Hitler op het dieptepunt van zijn bestaan, toen hij in een opvangcentrum voor daklozen woonde en zich in leven hield met het tekenen en verkopen van ansichtkaarten van het oude Wenen, vriendschappelijke betrekkingen met diverse Joodse tussenhandelaren. Van antisemitisme is nog niets te merken. Hij spreekt zelfs met achting over het Joodse volk, al vindt hij wel dat de Joden vreemd ruiken.

Het Rijksdaggebouw, Berlijn.
Michaelerplatz, Wenen.
Twee aquarellen, volgens de samenstellers van de expositie van de hand van de kunstschilder Hitler.
Foto’s Museum Niederösterreich

Dienstplicht ontlopen

De tentoonstelling in St. Pölten eindigt aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, Hitler bevindt zich dan in München, waar hij zijn loopbaan als bohémien en mislukt kunstenaar wenst voort te zetten. Hij heeft de dienstplicht van het leger van de dubbelmonarchie ontlopen, zal uiteindelijk worden afgekeurd, om vervolgens als vrijwilliger dienst te nemen in het Beierse leger.

De kracht van de tentoonstelling, die verdeeld is over twee zalen, is dat die de jonge Hitler toont als een doodgewone jongen en later als man in de context van het verval van de dubbelmonarchie.

In het midden van de zalen volgen we Hitlers persoonlijke geschiedenis, daarom heen wordt context gegeven door middel van beeld, tekst en geluid. Wagners antisemitisme, oorlogsenthousiasme in München in 1914, het parlement in Wenen, talloze voorbeelden van politiek antisemitisme uit het Wenen aan het begin van de 20ste eeuw. Geluidsfragmenten van tijdgenoten, bijvoorbeeld van Stefanie Isak die na de oorlog verklaart dat ze geen idee had wie die jongen was die met haar wilde trouwen. Haar stem is zachtaardig, ze klinkt nog altijd verbaasd. De teksten blijven het indrukwekkendst, maar sommige beelden beklijven. Een klassenfoto uit 1899 van de lagere school in Leonding, Hitler bovenaan in het midden, uitdagend, overmoedig maar eigenlijk, als je het einde durft te vergeten, ook charmant. Een ansichtkaart van Hitler, het sierlijke, regelmatige, krullerige handschrift frappeert me. Een foto van Adolfs moeder, Klara, een ernstig meisje met indrukwekkende ogen, die me eraan herinneren dat al in zijn jeugd mensen begonnen over de ogen van Hitler, die hypnotiserend en beangstigend tegelijkertijd zouden zijn.

De biograaf gelooft dat hij niet alleen een groot redenaarstalent had maar ook een werkelijk acteertalent

Mede dankzij de enorme liefde van zijn moeder leed hij vermoedelijk aan zelfoverschatting en een volstrekt gebrek aan zelfkritiek. Hij houdt van uitslapen, waar hij zijn hele leven van is blijven houden, spreekt bij voorkeur in monologen, wat hij ook zijn hele leven is blijven doen, en heeft geen idee hoe hij zijn artistieke ambities kan verwezenlijken.

De eerste tekst die van Hitler is overgebleven is een ansichtkaart aan August uit Wenen in 1906. Een pathetische en geëxalteerde beschrijving van de Weense opera, ironie was niet het fort van de jonge Hitler.

Leidinger en Rapp schrijven dat Hitler in de jaren dertig aan zijn enige jeugdvriend laat weten dat hij staatsman moest worden om „zijn doel als kunstenaar” te bereiken.

Het is de Eerste Wereldoorlog, die voor een ongekende ontwrichting in Europa zorgt en waarin Hitler een gasaanval zal overleven, die het huwelijk voorbereidt tussen de wagneriaanse dictator en de geschiedenis, waarbij het verlangen naar de eindtijd wordt verward met verlossing.

Ullrich noemt nadrukkelijk het organisatietalent van Hitler en gelooft dat hij niet alleen een groot redenaarstalent had maar ook een werkelijk acteertalent, waarin hij het tot „een zeker meesterschap” heeft gebracht. In de jaren zeventig stelde de nazi-architect Albert Speer dat geen van Hitlers tijdgenoten zo diep in het karakter van de Führer is doorgedrongen als Chaplin met zijn film The Great Dictator uit 1940.

Hij ensceneerde zichzelf en deed dat uiterst effectief, zodat hij vriend en vijand met die ensceneringen verwarde. Dat talent heeft zeker bijgedragen aan zijn metamorfose van een dakloze, mislukte kunstenaar tot Duitse Messias. Een van de redenen overigens dat hij pas vlak voor zijn zelfmoord met Eva Braun trouwde, was dat zij en al zijn andere minnaressen zoveel mogelijk geheim moesten blijven. Zijn bruid, had hij immers beweerd, was Duitsland.

Ik verlaat de tentoonstelling met onmiskenbare sympathie voor de Hitler tot 1914, al was het maar omdat ik meen zoveel met hem gemeen te hebben.

Adolf Hitler op het terras van zijn buitenhuis op de Obersalzberg bij Berchtesgaden. Vermoedelijk in 1934.Foto Ullstein Bild/ Getty Images

Toeristenindustrie

Ruim 250 kilometer ten westen van St. Pölten, in een uithoek van Beieren, ligt Berchtesgaden met de Obersalzberg, waar Hitlers favoriete buitenhuis zich bevindt, de Berghof, een tweede Berlijn; hier bracht Hitler grote delen van de oorlog door. Hij liet er een bunkercomplex bouwen. Ook andere nazi-kopstukken als Bormann, Speer en Göring bezaten huizen op de Obersalzberg en Hitler ontving er diverse buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. Eind vorige eeuw gaven de Amerikanen dit voormalige Führerschutzgebiet terug aan Beieren. De deelstaat begon daar Dokumentation Obersalzberg, een klein museum over het Derde Rijk en de Obersalzberg. Ook de door Hitler, mede met hulp van dwangarbeid gebouwde bunker, is nog te bezichtigen. In de catalogus De dodelijke utopie – beelden, teksten, documenten, data bij het Derde Rijk schrijven de uitgevers trots dat per jaar circa 170.000 bezoekers dit museum bezoeken en dat slechts 4 à 5 procent van de Duitse musea meer dan 100.000 bezoekers per jaar trekt.

Die zondagmiddag in augustus dat ik de Obersalzberg bezoek, staat er inderdaad een rij voor het museum, een geheel andere ervaring dan in St. Pölten. In Berchtesgaden heeft zich een kleine toeristenindustrie rond Hitler gevormd.

Hier in Obersalzberg werd Hitler regelmatig door Himmler geïnformeerd over de voortgang van de Endlösung. Op 25 april 1945 voerde de Engelse luchtmacht een groot bombardement uit op de Obersalzberg. Hitler was in Berlijn, waar hij vijf dagen later zelfmoord zou plegen. Drie dagen daarvoor tijdens een van de laatste besprekingen in de bunker beweerde Hitler dat hij het betreurde dat hij anders dan Stalin niet eerder met „verraders” in eigen kring korte metten had gemaakt. „Men heeft er daarna spijt van dat men zo goed is geweest”, liet hij weten.

In het museum van Obersalzberg is alles doordesemd van het einde, van de jonge Hitler is geen sprake meer. Bezoekers worden gewaarschuwd dat de tentoonstelling niet geschikt is voor kinderen.

Voor Hitler werd de jodenhaat wat eerst de kunst was geweest: een vlucht uit de realiteit en een levensdoel

Net als de publicist Sebastian Haffner concludeert Ullrich dat er zonder Hitler geen Holocaust was geweest, een militaire dictatuur vermoedelijk wel, een oorlog waarschijnlijk, industriële genocide: nee. De pathologie van het Duitse volk, het feit dat de Duitse misère en Hitlers misère elkaar spiegelden, de honderdduizenden bereidwillige helpers, het net als in Oostenrijk rabiate, virulente antisemitisme dat zich eind negentiende eeuw sterk begon te verspreiden, dat alles moet niet worden onderschat, maar toch. Voor Hitler werd de jodenhaat wat eerst de kunst was geweest: een vlucht uit de realiteit en een levensdoel.

Wat ook de vraag die Ullrich stelt aan het begin van zijn biografie indringender doet voorkomen: hoe had de wereld eruitgezien als de Weense kunstacademie de jonge Hitler wél had toegelaten?

Ullrich sluit zijn tweeduizend pagina’s af met de opmerking dat de confrontatie met Hitler nog altijd niet voorbij is. Een van de grootste massamoordenaars aller tijden, wiens immense liefde voor zijn moeder de Joodse arts Bloch hevig ontroerde, heeft blijvende morele en andersoortige wonden achtergelaten. Het geval Hitler, concludeert Ullrich, laat zien hoe snel een democratie verbrokkelt als de burgerlijke krachten niet sterk genoeg zijn om de autoritaire verleiding te weerstaan.

In de Hitlerbunker op de Obersalzberg is het anders dan in het museum leeg. Men waagt zich er niet in. Er is ook weinig te zien. Lege gangen, ergens druppelt water. Opschriften waarvoor de kamers werden gebruikt. Ik heb het gevoel te verdwalen en even lijkt Hitler heel dichtbij. ‘Broeder Hitler’, luidt de titel van een lucide essay dat Thomas Mann in 1938 schreef. Nee, we zijn niet van broeder Hitler af, hij is er, dichterbij dan we denken, al was het maar omdat zijn verbeelding die realiteit werd al onze hoop en denkbeelden tartte, ons zelfbeeld vernietigde. We kunnen hem ontmythologiseren zoveel we willen, maar de ontmythologisering komt te laat, zal altijd te laat blijven komen.

Vlug daal ik de Obersalzberg af, ik loop richting Berchtesgaden, waar ik logeer in Hotel Edelweiss, dat ik iedereen kan aanbevelen.

Op een terras naast Edelweiss drink ik een espresso. De bergen hier zijn prachtig. In de verte, hoog op de berg, meen ik het Adelaarsnest te zien, ook wel genoemd Kehlsteinhaus, dat de partij aan de Führer schonk voor zijn vijftigste verjaardag, maar dat hij vanwege zijn hoogtevrees zelden heeft bezocht.

Een licht spottende ober zegt: „Ik wens u nog een aangename voortzetting.”

Daarin hoor ik de woorden van Kraus doorklinken: „Ik wens u een aangename eindtijd toe.” (‘Wünsch einen schönen Weltuntergang, Euer Gnaden!’)

Der junge Hitler. Museum Niederösterreich, St. Pölten. T/m 24 januari 2021. Dokumentation Obersalzberg. Berchtesgaden.