Recensie

Recensie Muziek

Mendelssohn en Gergiev zijn geen geboren match

Klassiek De 25-jarige feesteditie van het Gergiev Festival is doorgeschoven naar 2021. In plaats daarvan leidde de dirigent twee ultrakorte, niet steeds bevredigende flitsprogramma’s.

Valery Gergiev dirigeert
Valery Gergiev dirigeert Foto Guido Pijper

Vijfentwintig jaar zou het dit jaar hebben bestaan, het Gergiev Festival dat tijdens én na Valery Gergievs Rotterdamse chef-dirigentschap (1995-2008) onvergetelijke avonden bood met het Rotterdams Philharmonisch Orkest en dat van het Mariinsky Theater. Door corona is de feesteditie (thema Sint-Peterburg) opgeschort naar 2021, met kans dat dat ook de laatste keer zal zijn. De festivalsubsidie is stopgezet, een petitie (tussenstand: 4.855 handtekeningen) gestart.

Een troost voor de fanbase: Gergiev is deze week toch in Rotterdam, voor twee atypische programma’s. Om tussen twee uitvoeringen op één avond goed te kunnen luchten was daarbij het zekere voor het onzekere genomen, met concertjes van 47 minuten op zowel maandag- als dinsdagavond. Veilig, vast, maar zo is een avondje uit wel érg snel voorbij.

Gergiev denkt dat zijn festival het wel overleeft: ‘Het gaat om zo weinig geld’

Was het de omweg waard? Maandag wel, al zal het fondueprogramma met een handvol elk-wat-wils ouvertures niet iedereen hebben behaagd. Maar in de klinkende praktijk las de avond grotendeels toch als een pakkende omnibus, waarbij Gergiev Rossini’s Ouverture La Cenerentola met behulp van volmaakt gelijkmatig gedoseerde toename in tempo en volume volpompte met zinnelijke opwinding.

Mooi (niet smetteloos) en totaal anders van sfeer was daarna de dromerigheid in Ravels Pavane. Strauss’ Donau begon wat klotserig, maar herwon daarna de innerlijke rust om imposant te kunnen zijn. Daarbij realiseerden Gergiev en het orkest ook hier weer verrukkelijke microfinesses in timing. En timing is alles: dat bewees ook een opruiende lezing van Strauss’ ouverture Die Fledermaus, waarbij de trilsnelheid van Gergievs toch al legendarische fladderhand nieuwe records brak.

Teleurstellend was daarna een te snel gespeelde ouverture tot Von Webers romantische opera Euryanthe. In een Italiaans overkomende, vitale en op beweeglijkheid gerichte aanpak miste je te veel van wat dit stuk geweldig maakt – van hoekige vitaliteit en pre-wagneriaanse grandeur tot het uitlichten van de duistere harmonieën.

Het deed vrezen voor programma twee, dat dinsdag draaide om Mendelssohns Schotse symfonie. Mendelssohn en Gergiev – ook dat bleek geen geboren match. Nu eens prikte een bij-stem brutaal boven het geheel uit, dan weer werd een juist uitzonderlijk mooie middenstem verdoezeld.

Aan aandacht voor melodische schoonheid leed de uitvoering geen gebrek (het zangerige Adagio bloeide) maar een verkwikkende Mendelssohn wil meer: akkoorden die vonken als net afgestoken lucifers, sportieve scherpte, markante strakheid, grip. Hier deden de mooiste passages aan Berlioz denken. Wonderlijk.