Opinie

Europees klimaatdoel voor 2030 is geloofwaardig begin

Broeikasgassen

Commentaar

Vanaf 2050 draagt Europa niet meer bij aan verdere opwarming van de aarde. Achter dat einddoel schaarden alle lidstaten zich in december. Woensdag zette de Europese Commissie de noodzakelijke volgende stap. Minstens 55 procent minder uitstoot van broeikasgassen in 2030, zoals voorzitter Ursula von der Leyen voorstelt, is een geloofwaardig begin van een klimaatneutraal Europa. Het is ook, met nadruk, pas het begin.

Sinds ijkjaar 1990 is de Europese uitstoot met een kwart afgenomen, dus in de komende tien jaar zal de Europese Unie meer vooruitgang boeken dan in de afgelopen dertig jaar. Dat moet ook. De op twee na grootste economie ter wereld is momenteel het enige continent dat deze voortrekkersrol kan vervullen.

Al vijf jaar geleden sloot de wereld het klimaatakkoord van Parijs, dus het werd hoog tijd. Iedere ton CO2 die uit een schoorsteen of uitlaat vervliegt, verergert immers de opwarming van de aarde. Later of minder streng ingrijpen vergroot de afvalberg in de atmosfeer, en brengt onomkeerbare schade aan natuur en ijskappen dichterbij. Tenzij de wereld radicaal ingrijpt, is het over enkele decennia zover.

Met het huidige voorstel doet Europa nog altijd te weinig voor de aardbol, betogen groene partijen in het Europees Parlement. Om de opwarming van de aarde deze eeuw tot 1,5 graad Celsius te beperken – het streefdoel van het Parijsakkoord – moet begin jaren vijftig niet alleen Europa, maar de hele wereld de uitstoot tot nul hebben teruggebracht, berekende het VN-klimaatpanel IPCC. Daarom zou, aldus de Europarlementariërs, de EU nu moeten inzetten op 60 of zelfs 65 procent reductie in 2030.

Een begrijpelijk standpunt, maar ook risicovol. Onder conservatieven en in Oost-Europese lidstaten is de politieke weerstand groot tegen een nog strenger klimaatdoel. Vertraging van de besluitvorming kan de wereld zich niet meer veroorloven, gezien het ziedend tempo waarmee de opwarming voortzet. En juist nu dwingt de coronacrisis overheden tot miljardeninvesteringen. Daarmee kan vergroening worden gefinancierd.

Lees ook over groene crisisinvesteringen: Groen herstel? Nederland heeft weinig haast

Het lijkt vruchtbaarder om het doel van „minstens 55 procent” van Von der Leyen snel in wetgeving uit te werken. Door spoedig het Europese systeem voor emissiehandel te versterken wordt uitstoten duurder voor fabrieken en elektriciteitscentrales. Dezelfde duidelijkheid is nodig voor de landbouw, mobiliteit en voor het verduurzamen van gebouwen: sectoren die nu buiten de emissiehandel vallen.

Daarbij is het aan Commissie en lidstaten om het percentage nadrukkelijk te beschouwen als een minimum – en niet, zoals te vaak gebeurt, als een maximum. Want ook dit nieuwe klimaatbeleid kan niet de hele Europese economie vergroenen. Zo begint het nog niets tegen de vele vliegtuigen en schepen die uit Europa vertrekken, een spoor van CO2 achterlatend.

Evenmin kan een ‘55-procentdoel’ Europese consumenten en bedrijven ervan weerhouden spullen en grondstoffen te kopen uit vieze fabrieken of mijnen in andere werelddelen. De commissie wil daarom de invoer van vervuilende goederen belasten, ook omdat zo’n heffing eerlijker is voor Europese bedrijven die wél aan het klimaatbeleid moeten voldoen.

Het is een maatregel die internationaal gevoelig ligt. Maar hier ligt wel de sleutel naar effectief klimaatbeleid. Want 55 procent minder CO2-uitstoot ín Europa is pas het begin: Europa alleen kan de opwarming niet stoppen. Dat Europese klimaatdoelen eraan bijdragen dat ook andere economieën vergroenen, moet niet alleen een streven zijn. Het is een verantwoordelijkheid.