Elke viking had zijn voorkeursregio: een Deen koos Engeland, een Noor Ierland

Paleogenetica In de Vikingtijd was sprake van grote genetische menging. Dat kan vrijwillig gebeurd zijn, maar ook door slavernij.

Engels ‘vikingschip’ in 1064, met aan boord de latere koning Harald Godwinson, zoals afgebeeld op het Tapijt van Bayeux (ca. 1090).
Engels ‘vikingschip’ in 1064, met aan boord de latere koning Harald Godwinson, zoals afgebeeld op het Tapijt van Bayeux (ca. 1090).

De Vikingtijd, tussen 750 en 1050, was de periode dat Scandinavische schepen met piraten, plunderaars en handelaren heel Europa doorkruisten. Uit dna-analyses van vikingbotten uit ruim 400 graven uit die tijd blijkt nu dat de verschillende plunder- en verovergebieden vrij duidelijk verdeeld waren tussen de vikinggebieden van herkomst. Deense vikingen richtten zich vooral op Engeland, Noorse gingen naar Ierland, IJsland en Groenland en in het Oostzeegebied en Rusland kon je vooral de Zweedse ‘piraten’ aantreffen.

Deze verdeling is een bevestiging van een vermoeden gebaseerd op schriftelijke bronnen uit die tijd. Het gaat om graven uit vooral Noordwest-Europa en Groenland. De analyse door een groot team onder leiding van de Deense geneticus Eske Willerslev (Universiteit van Kopenhagen) is deze week gepubiceerd in Nature.

Plundertochten

Het was sowieso een tijd van grote genetische menging en sterk toegenomen contacten. Vooral in Denemarken en Zuid-Zweden wordt door de onderzoekers tussen de achtste en elfde eeuw een sterk toenemende genetische invloed geconstateerd uit andere streken van Europa. In Zuid-Scandinavië zijn juist in de vikingtijd ook relatief vaak genen voor donker haar te vinden.

In op handel gerichte gebieden als het Deense Langeland, en het Zweedse Gotland en Skara groeit in de periode 750-1050 de genetische diversiteit het sterkst. Of die diversiteit ontstaan is door vrijwillige menging of door de import van slaven is overigens niet op te maken uit het dna-materiaal, zo laat een van de onderzoekers, Ashot Margaryan (Universiteit van Kopenhagen), weten. Volgens de toen geldende Scandinavische wetten waren kinderen van tot slaaf gemaakte vrouwen vrije burgers als ze door de vrije vader (c.q. eigenaar) erkend werden. De verkoop van bij plundertochten tot slaaf gemaakten binnen en buiten Scandinavië vormde een belangrijke pijler onder de toen bloeiende ‘viking-economie’.

Zoals past bij het woeste imago van de vroeg-Middeleeuwse periode is een deel van onderzochte botmateriaal afkomstig uit ware massagraven, zoals uit een graf in Salme (Estland). Daar werden rond 700 à 750 41 mannen afkomstig uit Zweden in twee vikingschepen begraven, na een gewelddadige dood. Uit dna-analyse van 34 individuen bleek dat onder de gesneuvelden vier broers waren, en ook nog een oom of achterneef van hen. Sowieso bleken deze gesneuvelde krijgers genetisch meer op elkaar te lijken dan de krijgers uit andere onderzochte vikinggraven. Waarschijnlijk kwamen allen uit hetzelfde gebied in centraal Zweden. Die opvallende homogeniteit wijst in dit geval ook op een hoge sociale status, menen de onderzoekers: hier was een nauw verwante adelsgroep ten aanval getrokken aan de overkant van de Oostzee.

Een vrouw uit een graf bij Uppsala had een neef die 360 kilometer zuidelijker begraven lag

In het nu onderzochte paleo-dna-materiaal zijn meer naaste familieleden teruggevonden, zoals van een man die ergens in de negende of tiende eeuw begraven is op het Deense eiland Funen. Hij blijkt een derdegraads familielid (halfbroer, oom/neef of kleinzoon/opa) te zijn van een man die in een viking-massagraf in Oxford (ca. 1000) is gevonden. En een vrouw uit een graf bij Uppsala (uit de tiende of elfde eeuw) had een broer die in hetzelfde grafveld begraven lag, én een neef die op het eiland Öland begraven was, 360 km zuidelijker.

Lees ook: In de Vikingtijd waren de Friezen minder onschuldig dan gedacht

De homogeniteit uit het vikingmassagraf in Salme (ca. 750) lijkt vooral een patroon uit die vroege vikingtijd en is later niet meer normaal. Twee individuen die op de Orkney-Eilanden in vikingstijl zijn begraven, blijken bijvoorbeeld genetisch veel nauwer verwant aan de huidige inwoners van Ierland en Schotland. Met hun dna is waarschijnlijk het eerste ‘Pictische’ genoom gesequenced, schrijven de genetici in Nature. De Picten (of ‘Cruithne’) is de naam die gebruikt wordt voor vroeg-middeleeuwse inwoners van het noorden en oosten van Schotland. Ook twee individuen uit andere Orkney-graven en vijf individuen uit Scandinavische graven blijken voor de helft op dezelfde manier ‘Pictisch’. En in het viking-massagraf dat gevonden is bij St John’s College in Oxford (waarschijnlijk een slachtpartij in opdracht van de Angelsaksische koning Aethelred II ‘de onberadene’, in 1002), zijn krijgers gevonden met Deense en Noorse dna-signatuur, maar ook met wat de onderzoekers noemen een ‘Noord-Atlantische’ signatuur – een samenvoeging van alle Noord-Europese dna-sporen die niet van Scandinavische herkomst zijn.

De invloed van viking-dna op de huidige bevolkingen buiten Scandinavië is klein maar consistent, zo schrijven de genetici in Nature. In Polen beloopt die ongeveer 5 procent. Op de Britse eilanden schatten de onderzoekers de genetische viking-invloed op 6 procent, al is die invloed moeilijk te berekenen, omdat de Angelsaksische dna-signatuur vrijwel niet te onderscheiden is van de Deense. De genetische invloed in de andere richting is in ieder geval veel sterker. De huidige Noren hebben voor 12 à 25 procent een Noord-Atlantische (=niet-viking) afkomst. In Zweden is die niet-viking herkomst 10 procent, aldus de genetici in Nature.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Onbehaarde Apen: Hoe wreed waren de Vikingen echt?

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Correctie (16 september 2020): aanvankelijk werd het schip op de illustratie uit het Tapijt van Bayeux ten onrechte aangeduid als een Normandisch schip. Het is echter een Engels schip, uit het begin van het verhaal op het Tapijt, als Harald naar Normandië vaart.