Een ‘staredown’ met een meeuw, het werkt

Gedragsbiologie Als je meeuwen aankijkt, wanneer je ze nadert, gaan ze er eerder vandoor.

Meeuwen in de stad vliegen minder snel weg dan meeuwen in de natuur als ze genaderd worden..
Meeuwen in de stad vliegen minder snel weg dan meeuwen in de natuur als ze genaderd worden.. Foto Maurice van der Velden

Last van loerende meeuwen tijdens een picknick aan zee? Terugstaren helpt, concluderen Britse biologen van de universiteit van Exeter. Ze beschrijven in het wetenschappelijke tijdschrift Animal Behaviour dat zilvermeeuwen sneller vluchten als er iemand naar ze kijkt. Dat geldt ook voor pasgeboren meeuwen die zelden of nooit met mensen in aanraking zijn gekomen.

De zilvermeeuw (Larus argentatus) is van oorsprong een kustvogel die in duingebieden broedt, maar steeds vaker duikt de soort ook in steden op. Daar broeden de meeuwen op daken van huizen, en eten ze vrijwel alles – van brood tot patat. Schuw zijn ze zelden, en soms pakken ze zelfs voedsel van mensen af.

Toch ontdekten de Britse biologen eerder al dat zilvermeeuwen er langer over doen om hun beoogde maal te benaderen als ze ondertussen worden bekeken door een mens. Zulke ‘staar-aversie’ is niet ongewoon bij dieren, maar er is weinig bekend over de mate waarin deze eigenschap is aangewend of aangeboren. Uit onderzoek onder huismussen en spreeuwen blijkt wel dat die vogels specifiek reageren op de menselijke blik, en dus niet alleen op bewegingen van het hoofd.

Het effect van een starende blik

Ook in het huidige experiment bestudeerden de onderzoekers het effect van een starende blik, door te kijken naar de vluchtafstand: de afstand tussen zilvermeeuw en mens waarop de meeuw wegvliegt. Dat deden ze door een proefpersoon op individuele zilvermeeuwen (zowel volwassen exemplaren als pasgeboren meeuwen) af te laten lopen, en te kijken hoe dicht hij ze kon benaderen voordat ze vluchtten. In alle gevallen had de proefpersoon zijn hoofd richting de meeuw in kwestie gedraaid, maar soms richtte hij zijn blik direct op de meeuw en soms richtte hij die juist op de grond.

Een tweede persoon filmde de toenaderingen. In alle gevallen begon de toenaderingspoging op een afstand van 20 meter, en liep de persoon in een constant tempo van 0,8 meter per seconde (het tempo had hij voorafgaand aan het experiment geoefend). Op het moment dat de meeuw wegvloog, markeerde de proefpersoon zijn eigen positie met een krijtje. Op basis van de camerabeelden werd vervolgens de afstand tot de oorspronkelijke positie van de meeuw opgemeten.

Of kiest een meeuw met een brutaal karakter eerder de stad als leefomgeving?

Op basis van onderzoek onder 155 zilvermeeuwen (84 volwassen vogels en 71 jonge vogels) bleek dat de vluchtafstand tussen meeuw en mens gemiddeld bijna 2 meter groter was als de proefpersoon naar de meeuw keek dan als hij zijn blik afwendde. Leeftijd was niet van invloed en de omgeving (stedelijk of landelijk gebied) evenmin: staren zorgde in alle gevallen voor sneller wegvliegen. Wel konden zilvermeeuwen in steden tot op kortere afstand benaderd worden dan in landelijk gebied. Ook als er nog andere mensen in de buurt waren, bleef een meeuw langer op z’n plek: misschien is hij dan zodanig afgeleid dat hij een starende blik minder snel opmerkt.

Dat meeuwen in steden minder snel wegvliegen, hoeft overigens niet per se te betekenen dat hun vluchtgedrag is aangeleerd, benadrukken de onderzoekers. Het zou ook kunnen dat zilvermeeuwen met een meer nieuwsgierige, brutale persoonlijkheid de stad sneller als leefomgeving kiezen.