Opinie

De rotzooi is weer terug

Frits Abrahams

In mei van dit jaar schreef ik over de verbazingwekkende afvalbergen die in Amsterdam rond vuilniscontainers ontstonden. De burgers leken de coronacrisis aan te grijpen om al hun overtollige rotzooi aan de straat zetten. Lezers in andere grote steden wezen mij erop dat deze ontwikkeling zich niet tot Amsterdam beperkte.

Enkele dagen later schreef ook stadskrant Het Parool erover en citeerde daarbij wethouder Laurens Ivens in de gemeenteraad: „Ik begin het zat te worden om de rommel achter de kont van de Amsterdammers op te ruimen. [...] Zo kan het niet doorgaan. We moeten samen door deze crisis.”

Ivens startte een tegenoffensief. Uit berichtgeving in augustus in Het Parool begreep ik dat hij veertien handhavers had aangetrokken die de beruchtste afvallocaties waren afgegaan en 2.411 huishoudens op overtreding hadden betrapt. Er waren veel bestuurlijke boetes van 95 euro opgelegd.

Bijna kreeg ik spijt van mijn column, want hoewel mijn karakter ongetwijfeld veel slechts herbergt, heeft het aangeven van mensen mij nooit bekoord. Aan de andere kant, hield ik mezelf voor, móest er iets gebeuren, want vooral de binnenstad begon uitgesproken smerig te worden.

Langs de Amsterdamse straten en grachten trad inderdaad verbetering in, maar de laatste weken keert de verloedering weer terug. Niets is zo moeilijk te handhaven als handhaving. Het begint enthousiast, maar geleidelijk komt de klad erin. Ik herinner me de felle controles op fietsverlichting, jaren geleden. Als fietser wist je dat de pakkans groot was, maar erg lang heeft het niet geduurd. Wie kijkt er nu nog op van een onverlichte fiets?

Vorige week stond er in NRC een interessante ingezonden brief van Adriaan Visser, psycholoog te Rotterdam. Hij beschreef hoe hij dagelijks wordt uitgescholden als hij misstanden op straat bestrijdt. „Bij alle vuilniscontainers liggen stapels rommel, hele huishoudens.” Hij probeerde ook fietsen en scooters van de stoep te weren. Hij was al een keer beschoten, maar hij ging toch door met zijn waarschuwingen. „Ik acht het mijn burgerplicht op te treden.”

Een samenleving moet niet te veel Adriaan Vissers hebben, want daar zou ze toch wel erg gespannen van worden – maar te weinig is ook niet goed. Ik moest een dezer dagen aan hem denken toen ik langs een gracht een reusachtige afvalberg aantrof. Twee bejaarde vrouwen stonden er druk bij te praten.

„Het is weer het ouwe liedje”, zei de kleinste van de twee, een gebrilde, magere vrouw. „Het blijft hier een rotzooi.”

„Je begrijpt de mensen niet”, zei de andere vrouw, een fors type; in haar stem klonk meer gelatenheid dan verzet. „Zó moeilijk is het toch niet om het met z’n allen een beetje netjes te houden?”

Zo stonden ze elkaar een paar minuten gelijk te geven, een bezigheid die tot voldoening stemt, maar ook snel verveelt. Mij viel op dat de forse vrouw twee grote stenen fruitschalen tegen haar borst hield geklemd. Kort voor ze uiteengingen, zette de vrouw de schalen zwijgend en met een snelle beweging naast de rommel bij de container. De kleine vrouw keek er stomverbaasd naar, ze leek te overwegen om er iets van te zeggen, maar de andere vrouw had zich al met een korte groet omgedraaid en was doorgelopen.

Het leven ging door, want er was geen Adriaan Visser in de buurt.