Opinie

Pact

Ellen Deckwitz

Afgelopen vrijdag had ik mijn neven (14 en 12) over de vloer en al gamende vergaten we de tijd. Tegen half elf stootte de jongste me aan. Hij wees naar zijn broer, die in de hoek van de bank helemaal knock-out lag. Bij elke inademing klonk er een lichte snurk.

„Kunnen we hem niet gewoon laten liggen?”, vroeg de jongste. „Hij slaapt de laatste weken weer heel slecht, het is een wonder dat hij is ingedut.”

Ik knikte. Mijn oudste neef heeft een hoofd waarin het af en toe spookt. Dan beukt somberheid als een klopgeest tegen de wanden. Er zijn periodes waarin hij alleen met behulp van pillen durft te slapen.

„Kijkt hij weer te veel nieuws?” vroeg ik.

„Nee, hij heeft gewoon nachtmerries”, zuchtte zijn broertje. „Waarover wil hij niet zeggen, maar ze zijn erg. Hij durft nauwelijks nog te slapen.”

Hij huiverde. Ik sloeg een arm om hem heen.

„Stom hè”, zei hij, „dat je voor slaap zo bang kan zijn. En dat terwijl iedereen zegt dat slapen zo goed voor je is.”

Ik moest denken aan wat de Franse filosoof Maurice Blanchot daarover schreef, dat er tussen de mens en zijn nachtrust een soort pact bestaat. De mens doet alsof slapen heel normaal is, terwijl het ook best gevaarlijk kan zijn, omdat je a. al ronkende jezelf natuurlijk niet echt kan verdedigen tegen inbrekers of erger, maar vooral omdat je b. geen grip hebt op wat je zal dromen. Als we daar bij stil zouden staan, deed niemand nog een oog dicht. We doen allemaal maar alsof slaap in plaats van een griezelig niemandsland gewoon een handtam onderdeel van het leven is. En zo sluiten we onze ogen, geven we ons over aan de dromen, maar hebben geen idee hoe die zullen uitpakken. Feitelijk is slapen doodeng. Wie weet waar je terechtkomt.

„Gaat het?”, vroeg mijn neefje. Ik zei dat we onze tanden moesten gaan poetsen. Ik zei niet hoe bang ik soms ben wanneer ik mijn ogen sluit. Hij heeft er niets aan om dat te weten. Je gedachten voor jezelf houden, maakt, vind ik, deel uit van de gentlemen’s agreement tussen jezelf en de ander. Dat je hem bijvoorbeeld niet onnodig vrees aanjaagt. Of op nare ideeën brengt.

Mijn neefje ging naar boven en ik legde een dekentje over zijn broer. Hij was helemaal weg. Af en toe schokten zijn handen, murmelde hij wat, trilden zijn oogleden. Het moest weer eens een hel zijn in dat hoofd, maar de precieze omvang ervan hield hij voor zichzelf. Ook dat is een soort pact, dacht ik, en stopte hem stevig in.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.