Wopke Hoekstra opvallend ontspannen over miljardentekort

Miljoenennota De coronacrisis slaat diepe gaten in de begroting. Ook op de lange termijn: volgens het CPB zijn de overheidsfinanciën minder houdbaar. Het kabinet blijft rustig.

Minister Wopke Hoekstra van Financiën (CDA) met het koffertje op weg naar de Tweede Kamer.
Minister Wopke Hoekstra van Financiën (CDA) met het koffertje op weg naar de Tweede Kamer. Foto David van Dam

Een begrotingsoverschot dat binnen een jaar met ruim 73 miljard euro omslaat in een gigantisch tekort. Een staatsschuld die oploopt tot boven de 60 procent. En dan de minister van Financiën horen zeggen dat zijn laatste begroting van deze regeerperiode „robuust” is.

Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) moet optimistisch zijn ingesteld. Bij de aanbieding van de Miljoenennota van vórig jaar gebruikte dezelfde minister tegen dezelfde Tweede Kamer hetzelfde adjectief. Robuust. Terwijl hij toen een overschot kon presenteren, en afloste op de schuld.

Zowel in zijn toespraak voor de Kamer als in een uitgebreide toelichting tegenover de media deed Hoekstra opvallend ontspannen over de overheidfinanciën. Hij realiseert zich weliswaar dat het coronavirus Nederland in de grootste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog heeft geduwd. En dat het noodzakelijke crisisbeleid, met noodsteun voor bedrijven en werkenden en een enorme derving van belastinginkomsten, grote gaten in de begroting heeft geslagen.

Maar dát, zei Hoekstra, is niet het grootste probleem. „Ik maak me op zich niet zo veel zorgen over de eenmalige klap van dit jaar.” Veel belangrijker is volgens Hoekstra: de economie „weer op de rails krijgen”. Dit is een tijdelijke knauw, vindt de minister, die de schatkist wel kan lijden. Daar waren de buffers, die in de afgelopen jaren zijn opgebouwd, nu juist voor bedoeld, met een relatief lage staatsschuld en een ruim overschot op de begroting. Als de economie weer uit het dal is, lopen tekort en staatsschuld vanzelf weer terug.

Het kabinet heeft deze redenering als basis gebruikt voor het crisisbeleid dat nu volgens Rutte III nodig is: het wil de economische groei zoveel mogelijk aanwakkeren. Door op korte termijn met die kostbare steunpakketten banen te beschermen en bedrijven overeind te houden. Door geplande uitgaven gewoon door te zetten of zelfs naar voren te halen. En door met een miljardenfonds te komen dat grote investeringen wil financieren, die moeten zorgen voor het vergroten van het ‘verdienvermogen’ van de Nederlandse economie.

Het kabinet gaat er voorlopig van uit dat de crisis – zowel de economische als die rond het coronavirus – tijdelijk is. Hoekstra en het kabinet varen op het basisscenario dat het Centraal Planbureau heeft geschetst: een grote dip van de economie dit jaar (min 5 procent), gevolgd door een opleving volgend jaar (plus 3,5 procent).

Maar het CPB heeft ook een aanzienlijk somberder scenario. Als de pandemie zorgt voor een tweede golf van besmettingen, waardoor opnieuw delen van de economie op slot zouden moeten, dan zien de vooruitzichten er een stuk slechter uit. Dan kan de economie volgend jaar opnieuw krimpen en loopt de staatsschuld op tot boven de 70 procent.

En zelfs zonder tweede golf zullen de collectieve overheidsvoorzieningen op lange termijn niet betaalbaar zijn zonder te bezuinigen of belastingen te verhogen, zo maakte het CPB dinsdag in de nieuwe Middellangetermijnraming bekend. In economisch jargon heet het dat de schatkist onder het huidige regeringsbeleid afstevent op een zogeheten ‘houdbaarheidstekort’ van 3 procent. Dat roept de vraag op wanneer Hoekstra zich wél zorgen gaat maken over de hoogte van de staatsschuld. Wanneer moet dit of een volgend kabinet ingrijpen volgens de tot voor kort als zuinig bekend staande minister van Financiën?

Hoekstra wilde er op Prinsjesdag geen duidelijkheid over geven. Een staatsschuld van 80 procent kan Nederland volgens econoom Coen Teulings prima hebben. Hoekstra noemde dat „heel fors hoger dan wat we verstandig vonden de afgelopen jaren”. „Op termijn”, zei hij, is het verstandig de overheidsfinanciën weer „op orde te brengen”. Maar bij welk niveau van de staatsschuld dat moet en hoe snel, daar was hij niet heel precies over.

Een leven zonder crisis bestaat niet

Wopke Hoekstra minister van Financiën

Klaas Knot adviseerde als president van De Nederlandsche Bank daar vooral de tijd voor te nemen. Hoekstra denkt dat er best „tien, twintig jaar” voor kan worden genomen.

„Maar vele decennia ervoor nemen vind ik niet verstandig. Dat suggereert dat we de komende decennia geen crisis meer krijgen. Terwijl de geschiedenis leert dat we over zeven, acht, negen jaar toch weer aan de beurt zijn. In goede tijden zorgen voor vlees op de botten is toch verstandig. Een leven zonder crisis bestaat niet.”

Van grote invloed op deze discussie zal het eindadvies van de Studiegroep Begrotingsruimte zijn, dat begin oktober wordt verwacht. Dit gezelschap van Haagse topambtenaren, Klaas Knot en directeur Pieter Hasekamp van het CPB adviseert ver voor de verkiezingen wat verstandig financieel beleid is voor een nieuw kabinet. Veel politieke partijen wegen dat advies mee in hun verkiezingsprogramma’s. Door de coronacrisis stelde de studiegroep haar advies uit.

De Raad van State sprak zich op Prinsjesdag al wel uit over wat verstandig begrotingsbeleid is. Het adviesorgaan miste in de Miljoenennota ook maar enige analyse daarover door het huidige kabinet. In het jaarlijkse begrotingsadvies schrijft de raad dat het kabinet niet moet wachten tot er binnen de Eurozone straks nieuwe afspraken worden gemaakt over lossere regels voor schuld en begrotingstekort.

Nederland zou zich vooralsnog eigenlijk gewoon moeten houden aan het begrotingsbeleid. „Behoud de schuldnorm van maximaal 60 procent.” Dat is niet alleen „verdedigbaar en realistisch”, het is volgens staatsraad Richard van Zwol ook nodig als nieuwe buffer om „bij een volgende crisis zonder bezuinigingen de eerste klap te kunnen opvangen”. Daar is Hoekstra het dus wel mee eens. Alleen adviseert de Raad van State om deze norm al „op de middellange termijn” in acht te nemen. En wat is volgens Van Zwol de middellange termijn? „Dan denk ik aan een periode van vier tot vijf jaar, zeg maar: een kabinetsperiode.”