Opinie

Lekker vette reclameleus

Frits Abrahams

Langs de Prinsengracht zag ik grote reclameborden met een tekst waarover vermoedelijk lang was nagedacht. Bij de kleurenfoto van een overdreven sappige hamburger stond in kapitalen: LEKKER BOEREN LATEN. En daaronder in iets kleinere letter: „Bij een echte burger kan je je helemaal laten gaan.”

Lekker boeren laten? Is dat het nastrevenswaardige effect van de echte burger op de echte burger? De reclame bleek afkomstig van restaurant Burgerbar, een in hamburgers gespecialiseerd restaurant, dat in Amsterdam zijn vijfde vestiging heeft geopend naast vestigingen in Utrecht, Den Haag en Bordeaux. Het moet een heel lawaai zijn in die restaurants en je mag hopen dat er goed geventileerd wordt, en niet alleen om coronaredenen.

Graag had ik de vergadering bijgewoond waar de jongens (het zou me tegenvallen als er ook meisjes bij waren) van het reclamebureau deze slagzin bedachten.

„Het moet lekker vet klinken.”

„Het mag best een beetje vies. Als je goed naar een hamburger kijkt is het één buil stinkende smerigheid.”

„Een slogan die op de spijsvertering slaat?”

„Iets met slikken?”

„Bijvoorbeeld: ‘Beter slikken dan stikken?”’

„Te macaber.”

„‘Dat is even slikken’?”

„Klinkt negatief. Het moet positiever én het mag ook wel wat ondeugender.”

„Iets met winden laten dan maar? Dat lukt altijd goed met hamburgers.”

„Iets als: ‘Laat eens een windje ruiken’?”

„Klinkt lullig. Het moet pittiger.”

,,‘Lekker scheten laten?”’

,,Te vies, maar we zitten nu wel in de goeie hoek.”

,,Ik weet het: boeren! Een boer is een wind uit de keel, het komt dus op hetzelfde neer, maar het klinkt iets minder onsmakelijk.”

„En wat wordt het dus?”

Allemaal: „Lekker boeren laten!”

Vervolgens bestelden ze een hamburger en een biertje – ze zaten in de nieuwe vestiging te brainstormen – en werd er die dag nog lang geproost en geboerd. Ze beschouwden het als een nieuw hoogtepunt in de reeks reclameleuzen die ze voor Burgerbar hadden bedacht. Eerdere vondsten waren: ‘Lekker vieze vingers’ en ‘Hard smakken mag’.

Zouden ze hebben beseft wat ze hiermee teweegbrengen in de Amsterdamse toeristenindustrie? Menige buitenlandse toerist zal zich bij het passeren van het nieuwste bord tevergeefs afvragen wat er precies met deze tekst bedoeld wordt. Zij zullen het hun gidsen vragen, alsof die nog niet moe genoeg worden van het omhooghouden van hun vlaggetje aan het hoofd van de karavaan. En welke toerist zal zijn gids geloven als die met de nodige gêne moet zeggen: „That means: let out a big burp”?

Ik voorzie dat de meeste gidsen met de mond vol tanden zullen staan omdat ze zo gauw niet weten wat het equivalent is in andere talen. Alleen de Chinese toeristen, die uit voldoening graag een luid boertje laten na het eten, zullen het intuïtief aanvoelen.

Maar wat moeten al die andere toeristen wel niet van ons denken? Dat wij een vies smakkend en boerend volkje zijn? Of zullen ze denken: ach, die Hollanders, niks nieuws onder de zon, we kenden ze al van Ibiza, Torremolinos en Rodos, het zijn nu eenmaal de Chinezen van Europa – een apart, vreemd volkje?