Opinie

Als de bijenkoningin in een werkster verandert

Marjoleine de Vos

De ‘queen bee’, de ‘bijenkoningin’, dat begrip heeft iets feestelijks. Je ziet als vanzelf mooie jurken, kleurig, kroontjes, gezoem van ritselende hofdames, buigende mannen, misschien iets van verlangende fluisteringen met diepe stem, genre ‘Oh koningin, schoon zijt gij’. Maar in het sprookje kwam er wel meteen achteraan dat Sneeuwwitje over de bergen bij de zeven dwergen nog duizendmaal (duizendmaal!) schoner was dan gij. En daar ging het om, blijkbaar. Niet schoon zijn, maar de allerschoonste.

Vrouwelijke hoogleraren zijn vaak bijenkoninginnen, las ik, maar dan betekent het niets gunstig. Sneeuwwitjes stiefmoeder zijn ze, jaloers aan het waken of er ergens een meisje is dat duizendmaal schoner (slimmer, knapper) is dan zij. Of net zo knap, dat is al erg genoeg. Ze geloven dat dus gewoon niet, ze zeggen, volgens het onderzoek van Naomi Ellemers, zelf hoogleraar, dat ze die andere vrouwen nog niet zo hard zien werken als zij doen. Dat zij ‘offers’ hebben gebracht voor hun carrière, en dat moet ook.

Zo is de cultuur aan de universiteit sowieso, je leest er de laatste jaren steeds meer klachten over. Twaalf tot vijftien uur overwerken is normaal, „wie dat niet wil, hoort hier niet”, zeggen mensen doodleuk. Vaste contracten zitten er vaak niet in, de financieringsstructuur is zodanig dat iedereen constant met elkaar in competitie is in plaats van dat men samenwerkt. Veel mensen die in dat klimaat opstijgen gaan zelf ook stoere praatjes uitslaan, zegt Ellemers. En ze gaan denken dat anderen niet zo flink, stoer en offerbereid zijn als zijzelf. Zowel mannen als vrouwen doen dat.

Mensen hebben altijd de neiging als ze iets bereikt hebben wat anderen uit hun groep niet bereikt hebben, om te denken dat zij de gunstige uitzondering zijn en dat die anderen niet kunnen wat zij kunnen. Bleek ook uit dat onderzoek, maar je wist het eigenlijk al wel en de meeste mensen kunnen zoiets waarschijnlijk ook wel lichtelijk in zichzelf navoelen.

Ik was reuze trots toen ik destijds als eerste en enige vrouw in de redactie van het literaire tijdschrift Raster gevraagd werd, juist omdát ik de enige vrouw was. Hoorde ik zacht gezoem van buigende hovelingen op de achtergrond? Er was eigenlijk niemand die het erg belangrijk vond, misschien steeg ik vooral in mijn eigen aanzien. Dat was beslist minder het geval geweest als álle tijdschriftredacties vol vrouwen hadden gezeten, zoals nu. Toch is er niets in mij dat dat laatste betreurt. Wel dat literaire tijdschriften geen enkele rol meer spelen.

Mijn vader vertelde vroeger dat in de Sovjet-Unie veel vrouwen ingenieur waren of arts. „Geweldig!”, dacht ik. „Wat een land, daar over de zeven bergen.” Maar, zei hij, „artsen staan daar niet in erg hoog aanzien.”

Hij zag een verband.

Ik denk daar nog steeds wel eens aan. Of het altijd zo is dat de status van een beroep zakt als écht iedereen het kan worden. Vrouwen. Mensen met een accent. Mensen met een donkere huidskleur. Mensen die die drie dingen combineren. Moeilijk na te gaan. Het is een onaangename gedachte, want dat zou betekenen dat er maar heel beperkt vooruitgang mogelijk is als het gaat om gelijkwaardigheid. Tegen de tijd dat het heel normaal is voor vrouwen of gekleurde mensen om president van een land te worden, vindt niemand dat meer erg interessant. Dan is een groot bedrijf leiden veel belangrijker.

Zogenaamd wordt er ingeschikt, maar de status wordt weggenomen, de hofdames dragen geen zijden jurken meer, de bijenkoningin is in een werkster veranderd.

Onaantrekkelijke gedachte. Wat is er eigenlijk van Sneeuwwitje geworden later? Werd ze nog koningin?

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.