Opinie

Alleen oude leeuwen verstoren nog de stilte rond de politie

De politie drijft in hoog tempo weg uit de wijken. Korpschefs mogen daar niets meer van zeggen. Piet van Reenen heeft heimwee, in de Veiligheidscolumn.
Wijkagent Fred doet een rondje door Sint Willibrord.
Wijkagent Fred doet een rondje door Sint Willibrord. Foto Merlin Daleman

Oude leeuwen brullen nog. Hessing, de oud politiechef van Rotterdam-Rijnmond en zijn rechterhand Karremans pleiten in Elseviers Weekblad voor terugkeer van de politie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarnaast willen ze de politie terug in de buurten en wijken van steden en ze pleiten voor een capaciteitsuitbreiding: meer geld, meer mensen, zodat de beweging terug de gemeenten en wijken in kan worden gerealiseerd.

Gele kaart

Een licht gevoel van heimwee bekruipt me. In 1993 kreeg een aantal hoofdcommissarissen de Machiavelliprijs voor excellente publieke communicatie. De Machiavelliprijs was een eer voor alle prijswinnaars daarvoor en daarna. Voor de politiechefs was het een gele kaart. Effectieve communicatie, problemen agenderen die de politie aangingen én waarvoor ze verantwoordelijkheid droeg voor de aanpak, de soms onaangename effecten van landelijk beleid of van symboolpolitiek openbaar maken: dit alles kon onaangename politieke consequenties hebben.
Toentertijd was een waarschuwing aan enkele van de korpschefs het gevolg; kritiek kan, maar vooral binnenskamers. Die berisping was maar deels effectief. Korpschefs werden destijds (meestal) beschermd door hun burgemeesters.

Gemuilkorfd

Nationalisering van de politie heeft aan die vrijheid een einde gemaakt. De korpschef is gemuilkorfd. Immers, de minister is nu de baas van de nationale korpschef en verantwoordelijk voor de politie. De korpschef moet eigen handelen en publieke uitspraken afstemmen met de minister, die wordt geconfronteerd met een scherp toekijkend parlement. Een minister stevig in het zadel kan de teugels iets laten vieren, een beschadigde of zwakke minister houdt zijn korpschef kort aan de ‘publiciteitsteugel’.
Gevolg is dat alleen de politievakbonden nog de knelpunten rondom de politie - soms pijnlijk - publiekelijk aan de orde stellen, de politiechefs niet. Heimwee dus, de oude leeuwen brullen nog een keer en brengen een echo teweeg van het verleden waarin ruimte was om de belangrijke thema’s waarmee de politie worstelde intern te bespreken en extern te ventileren. Goed gebruld leeuw, ook nu nog.

Wegdrijven

Onmiddellijk volgt op dat compliment de vraag: wie kan die van de politiek onafhankelijke rol overnemen? Wie heeft de deskundigheid, wie de positie, wie het gezag, wie de onafhankelijkheid, wie de guts? De vakbonden ontberen daarvoor de capaciteit en ze hebben een te specifiek belang. Stilte is te comfortabel voor het algemene goed.
De punten die Hessing en Karremans aansnijden, zijn er niet minder belangrijk om. Het tekort aan mensen en middelen en het wegdrijven uit wijken en buurten werden pas nog aan de orde gesteld door de inspectie.
Door de politie te nationaliseren is het mogelijk gemaakt snel op- en af te schalen. Opschalen gaat goed met de nationale politie: gemakkelijker dan voorheen wordt de ME opgeroepen en verdeeld, worden bedreigde mensen en objecten bewaakt en beveiligd, wordt de politie ingezet tegen terreurdreigingen, worden tapkamers en observatiegroepen van georganiseerde criminaliteit bemenst, worden afrekeningen in het criminele milieu ontrafeld, wordt digitale expertise opgebouwd etc. Het afschalen blijft daarentegen uit. Geen minister wil het risico lopen van een risico negeren. Zijn politiek belang is te groot en dus is de opschalingsreflex sterk.

Menselijke maat

Ook de terugkeer van de politie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt terecht geagendeerd. Die is eerder en met nadruk bepleit, omdat deze het te grote en incidentenrijke justitieministerie ontlast.
Terug naar de buurten en wijken dus en terug naar de menselijke maat in de relatie tussen politie en bevolking. Niet als een deeltaak van wijkagenten, maar als een brede krachtsinspanning van bureaus in moeilijke wijken, waar het verlies van kleinschaligheid en van de ruimte om problemen op creatieve manieren op te lossen, de politie te gemakkelijk in een repressieve afstandelijke rol dwingt. Geen capaciteit.
Terug naar die menselijke maat van politiewerk en naar de tijd om contact te leggen en te onderhouden. Dat is een voorwaarde voor de aanpak van multiprobleemwijken, voor de worsteling met diversiteit en de terugkeer van vertrouwen naar zulke wijken. Dat wijkbewoners niet meer met de politie willen of durven te praten, is een teken aan de wand.

Uitgewoond idealisme

De oude leeuwen brullen weer, voor het laatst bijna, het zijn de relicten van een oud politiebestel met -chefs die de vrijheid namen maatschappelijke problemen publiekelijk te agenderen. Waar is de visie gebleven en waar de visionairs? Waar ook de politiechefs die zich met hand en tand verzetten tegen een politie die in een steeds repressievere hoek terecht zou komen? Hun opvolgers zijn nog niet in zicht. Geen idee ook waar ze vandaan moeten komen.
Ondertussen blijft de politiemens op straat en in de opsporing tobben.
Het duurt meestal even, maar op den duur is cynisme zijn deel, want cynisme is uitgewoond idealisme, idealisme dat een zachte dood sterft in de jarenlange confrontatie met maatschappelijke problemen, gedoe over de organisatie en het voorspelbare tekort aan menskracht. Dat is doodzonde, want idealisme is noodzakelijk om dit werk goed te kunnen doen.

De Veiligheidscolumn wordt geschreven door deskundigen uit de politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar politie en mensenrechten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.