Opinie

De coronacrisis kan clubs in het betaald voetbal fataal worden

Voetbal

Commentaar

Na maanden van onzekerheid over de toekomst van het betaald voetbal is het nieuwe Eredivisieseizoen begonnen. Zelden werd ’s lands belangrijkste sportcompetitie zo omgeven door twijfels als deze 65ste jaargang, ook al vertoonden de eerste sportieve schermutselingen alle kenmerken die de liefhebbers zich herinneren van ‘vroeger’ – voordat de wereld tot stilstand werd gedwongen door het coronavirus: wonderschone doelpunten, een verrassende uitslag, sportieve blunders, emoties over dwalingen van videoarbiters en de bijbehorende ophef in de praatprogramma’s ervoor en erna. Kortom, het betaald voetbal is terug en het leeft, ook al zijn de stadions nog niet voor de helft gevuld.

Een half jaar nadat de pandemie de lage landen bereikte is duidelijk dat het betaald voetbal dezelfde onaangename 2020-behandeling ondergaat als zoveel andere maatschappelijke sectoren: een complexe mengelmoes van financiële teruggang, zorgen over de gezondheid van werknemers én toeschouwers, en een tergende onzekerheid over het grillige verloop van de pandemie.

Om met de ergste pijn te beginnen: die zorgen over de toekomst van het profvoetbal zijn terecht, en reëel. De kans is groot dat Nederland over twaalf maanden niet meer, zoals nu, 34 profclubs telt.

Natuurlijk zullen Ajax, Feyenoord, PSV en de grotere subtoppers met een stevige achterban de crisis wel overleven. Maar de pandemie kan zeker leiden tot een sanering die bestuurders, spelers, begeleiders en supporters nooit zagen aankomen.

Dat klinkt als een doemscenario, maar de realiteit is dat het betaald voetbal al lange tijd steunt op een kwetsbaar financieel fundament, zeker in kleine gemeenten waar clubs elke euro moeten omdraaien die zij krijgen van fans, overheden of clublievende sponsors uit de streek. Zolang er profclubs zijn die geen geld hebben om op echt gras te voetballen, tot in de Eredivisie aan toe, is twijfel over de toekomstbestendigheid reëel.

Een club als Telstar vroeg zijn spelers deze zomer brood mee te nemen omdat de verstrekking van een lunch financieel niet meer haalbaar was. Het is de vraag in hoeverre de overheid onder dit gesternte wel het aangewezen loket is voor leniging van de financiële nood. Eric Gudde, directeur betaald voetbal bij de KNVB, zei dit weekeinde in NRC al dat hij financiële problemen voorziet bij de helft van de profclubs, en verwacht „steunaanvragen” in Den Haag.

De vraag is hoe realistisch dat is in een diepe economische crisis als deze. Het einde is bovendien niet in zicht zolang het virus rondwaart. Opmerkelijk genoeg pleitte Gudde er in hetzelfde interview voor „lef” te tonen met een experiment waarin het aantal toeschouwers in sommige stadions wordt uitgebreid. Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) was er snel bij om dat plan als onverstandig te bestempelen.

Het virus is nog altijd overal, springlevend, en bezig aan een nieuwe opmars, getuige de cijfers van het RIVM. Dat vooruitzicht, aan het begin van de herfst, maakt de kans op terugkeer naar een stampvolle Kuip of een afgeladen Johan Cruijff Arena eerder kleiner dan groter.

Zijn de stadions op dit moment halfvol, of zijn ze halfleeg? Die vraag ligt nog open. Hoe zwaar de storm zal worden voor het betaald voetbal, zullen we uitvinden tussen nu en 16 mei 2021, op papier de laatste speeldag. Maar het kan ook een paar maanden later worden.