De staat mag weer bijsturen. Maar hoe?

Nieuwe rol voor de overheid Veel partijen dromen over een grotere rol voor de overheid. Dat vraagt wel om ideologische strijd, ook komende week, tijdens de algemene beschouwingen.

Beeldbewerking NRC

De schroom is verdwenen, de overheid mag er weer zijn. Kopstukken van liberale partijen als Sigrid Kaag van D66 en Klaas Dijkhoff van de VVD pleiten voor een herwaardering van de overheid. De schrijvers van verkiezingsprogramma’s voor de PvdA, de VVD en het CDA zoeken nadrukkelijk naar een nieuwe rol voor de overheid. En afgelopen maandag presenteerde het kabinet een staatsinvesteringsfonds met daarin 20 miljard euro aan nieuw te lenen geld. Omdat in de woorden van VVD-minister Eric Wiebes „de manier waarop wij onze welvaart vergaren niet meer houdbaar is”.

De nieuwe blik op de overheid zal tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van komende week ongetwijfeld terugkomen in de bijdragen van partijleiders. Vorig jaar bekritiseerden ze eensgezind het oude denken: het kapitalisme moest worden hervormd, want de markt werkte niet zoals gedacht of gehoopt – kijk maar naar de achterblijvende lonen. En de overheid liet burgers te vaak in de steek, de publieke sector was toe aan een herwaardering.

Deze politieke beschouwingen zullen in het teken staan van het nieuwe denken: dat de overheid de economie weer mag bijsturen. Bijvoorbeeld door „ons uit de crisis te investeren” zoals partijen nu zeggen.

De beweging naar een andere kijk op de rol van de staat was er al, maar komt door de coronapandemie bij veel partijen in een stroomversnelling. „Corona is een versteviging van je blik op de werkelijkheid: dingen die je al vond als partij zijn nog markanter geworden”, zegt Wouter Koolmees, die naast zijn werk als minister van Sociale Zaken het D66-verkiezingsprogramma schreef. Volgens de PvdA werkt corona als een loep: het laat duidelijker zien „waar kwetsbaarheden in onze samenleving zitten”.

De ondernemende overheid

Belangrijkste vernieuwing: het besef dat de overheid de markt mag aanjagen en ook economische ontwikkelingen kan aanzwengelen. Zowel bij linkse als rechtse partijen wordt met veel interesse het werk van de Amerikaans-Italiaanse econoom Mariana Mazzucato gelezen. In haar boek The Entrepreneurial State stelt ze dat de overheid bij uitstek geschikt is om innovaties in de markt aan te jagen, door gericht te investeren waar de markt dat nalaat. Juist de overheid durft risico’s te nemen die de markt niet aandurft, stelt zij. Sterker, veel innovaties waar bedrijven als Google en Apple rijk van worden, zijn geboren uit investeringsprogramma’s van de Amerikaanse overheid.

De overheid mag van Mazzucato zelfverzekerder een deel van de vruchten daarvan opeisen, bijvoorbeeld door belastingen. De ondernemende overheid is óók een aantrekkelijk idee omdat de overheid in die rol de overgang naar een klimaatneutrale economie kan aansturen.

Ook oud-minister Uri Rosenthal, die meeschrijft aan het VVD-programma, noemt Mazzucato als hem gevraagd wordt naar de rol van de staat. „Hieruit proef je dat we onorthodox denken over de vraag of de staat moet interveniëren en een ondernemende rol moet spelen.” GroenLinks en D66 haalden Mazzucato’s denken al aan in de Tweede Kamer en ook Esther-Mirjam Sent, senator voor de PvdA en voorzitter van de programmacommissie, is „erg gecharmeerd” van Mazzucato’s ideeën.

Dat klinkt als een nieuwe brede politieke consensus. Maar is het dat ook?

Het is nog te vroeg om dat vast te stellen: de verkiezingsprogramma’s zijn bij veel partijen nog (lang) niet klaar. Wel staat vast dat veel partijen de constatering delen dat de overheid meer mág, en wel met hetzelfde doel: de economische welvaart breder verdelen onder burgers. Links valt daarbij terug op klassieke overtuigingen als herverdeling van vermogen en winsten, rechtse partijen zien meer in het beteugelen van marktmacht. De VVD lijkt fundamenteel te willen vernieuwen. Rosenthal voelt zich zeer ‘einverstanden’ met de oproep van The Economist om het liberalisme opnieuw uit te vinden, om het rechtspopulistische verzet ertegen te pareren.

Staatskapitalisme

Maar bij partijen leven nog veel vragen en dilemma’s. Of de overheid niet té machtig wordt, bijvoorbeeld. PvdA’er Sent: „De beweging van de afgelopen decennia was markt, markt, markt. Maar je moet oppassen dat de pendule niet de andere kant op zwaait, want de overheid is ook niet altijd de oplossing. Het gaat om een sterke staat en dus om politieke strijd. Anders concluderen we over tien jaar weer dat er te veel bij de overheid is neergelegd en dingen terug moeten naar de markt.”

Ook Ronald van Raak, voorzitter van de programmacommissie van de SP, droomt niet per se van een machtiger overheid. „Dat kan ook betekenen dat er een soort staatskapitalisme ontstaat” - de overheid is dan grootbezitter van kapitaal, maar leidt de economie niet heel anders dan bedrijven doen. Van Raak pleit daarom voor „democratisering” van de economie: niet de staat of grote bedrijven, maar werknemers en burgers moeten zeggenschap hebben.

Er zijn meer smaken dan alleen staat of markt, zegt CDA-senator Ben Knapen, die aan het verkiezingsprogramma werkt: „De trend dat je niet alles aan de markt over kan laten, zie je bij ons ook terug. Maar waar wij altijd een beetje moeite mee hebben, is het idee dat het maar twee kanten op kan. Van oudsher zoeken wij naar iets er tussenin. Een maatschappelijke onderneming, corporatievormen die de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal proberen te overbruggen. Woningcorporaties zijn, als ze functioneren, niet statelijk, maar ook niet privaat. Ze proberen partijen en belangen te bundelen in een sociale doelstelling.”

Koolmees: „Het beeld dat de overheid nu helemaal anders wordt, vind ik te simplistisch. De overheid is nooit echt klein geweest. Wat je wel ziet, is dat er op allerlei terreinen nu suboptimale uitkomsten zijn. In sommige markten ontstaan er natuurlijke monopolies, denk aan grote techbedrijven en grote farmaceuten. Dat vereist een sterke overheid.” Hoe sterk de Haagse consensus echt is, zal blijken als er echte politieke keuzes moeten worden gemaakt.

Wat willen partijen dat de overheid met haar hervonden zelfvertrouwen doet? Moet zij nieuwe voorwaarden stellen waarin markten kunnen groeien, moet zij de macht van de markt beperken of moet de overheid de economie sturen naar grote veranderingen? En zo ja, hoe, en met welk doel?

Want de overheid als aanjager van innovatie is wel iets anders dan de overheid die vermarkte taken weer publiek organiseert. In het ene denken stimuleert de overheid de markt, in het andere maakt de overheid zich meester van de markt. PvdA-leider Lodewijk Asscher, die Mazzucato eveneens regelmatig aanhaalt, wil allebei een beetje, schreef hij in een recent essay. „Sommige voorzieningen zijn te belangrijk om puur aan de wetten van de markt over te laten.” Voor een stap verder – hernationaliseringen – pleit in Den Haag (nog) vrijwel niemand.

Wopke-Wiebesfonds

Vrijwel alle partijen zeggen nu te willen investeren. Maar ook daar is de vraag: waarin? De kritiek op het deze week gepresenteerde Wopke-Wiebesfonds was dat het kabinet wel een pot met geld klaarzet, maar te vaag is over wat het kabinet met dat geld wil bereiken. Knapen: „Het verdienvermogen van dit land vergroten voor een volgende generatie klinkt fraai, maar daar kan je politiek wel veertig verschillende en ook contraire opvattingen over hebben. Uiteindelijk moet je keuzes maken.”

Ander groot dilemma: het beteugelen van de volgens VVD en D66 uit de hand gelopen marktmacht van grote bedrijven. Ze wijzen daarbij vaak naar Amerikaanse techbedrijven als Google, Apple en Facebook. Maar zeggen dat Amerikaanse bedrijven te groot zijn, is makkelijk, want risicoloos. Hoe denken ze over het pleidooi van de Franse én Duitse regering om actief Europese kampioenen te creëren, bedrijven die zo groot mogen worden dat ze Europese markten domineren om zo de wereld te veroveren, als geopolitiek tegengewicht tegen Amerikaanse en Aziatische grootmachten?

Nederlandse regeringen hebben altijd het Europese mededingingsbeleid gesteund waarin staatssteun en marktmacht werden beteugeld. Zijn ze tegen dit Frans-Duitse plan? Een overheid die de macht van grote bedrijven breekt, is een andere dan een overheid die grote bedrijven kweekt.

Zelfs als partijen een basisprincipe over een andere rol van de overheid delen, zullen ze vervolgens andere keuzes maken. Over belastingtoeslagen bijvoorbeeld. Alle partijen vinden dat het systeem op de schop moet, maar hoe willen ze dan huishoudens steunen die het niet breed hebben? Kiezen ze voor een ander belastingstelsel en dus minder gerichte inkomenssteun? Of ook voor gratis kinderopvang, een hoger minimumloon of een nationaal zorgfonds?

Eén ding is zeker: er is intellectueel-politieke ruimte die er eerder niet was. Ook de lossere adviezen van voorheen zuinige economisch adviseurs als De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau dragen hieraan bij. Als politieke partijen niet meer a priori zuinig hoeven zijn, kán er door hen vrijer worden gedroomd.

Vrijer dromen

Maar dat vraagt ook iets van partijen: een doorwrochte visie op de kerntaken van de overheid en een idee wat de verhouding tussen staat, economie en burgers moet zijn. En van de partijen die klimaatverandering willen tegengaan: een plan dat decennia vooruit kijkt om de samenleving en economie klimaatneutraal te maken. Dat vergt niet zozeer een consensus tussen de grote partijen, maar in eerste instantie vooral een ideologisch kompas en politieke strijd.

In die zin kan de politiek leren van de ervaringen in de jaren negentig. Toen was er brede consensus onder politieke partijen dat overheidstaken geprivatiseerd en verzelfstandigd moesten worden, zonder dat er veel debat over was. Later was de breed gedeelde conclusie dat de overheid over te veel dingen ‘niet meer gaat’. Zoals nu veel partijen zeggen dat in de jaren tien te sterk bezuinigd is op de overheidsdiensten als UWV en de Belastingdienst.

Consensus zonder debat, een hegemonie zonder al te sterke ideologische overtuigingen, kan dus andere uitkomsten geven dan gehoopt. Een gebrek aan scherpe overtuigingen en een helder politiek doel kunnen beleid alle kanten op doen zwaaien.

Ongericht investeren zou wel eens net zo’n kater kunnen opleveren als ongericht bezuinigen of overenthousiast privatiseren: een overheid die niet doet wat mensen ervan verwachten.

Politiek filosoof Jan-Werner Müller over een ander liberalisme pagina 30-31