Opinie

Bedreigers van politici verwoesten zowel levens als de democratie

Bedreigingen

Commentaar

Sinds oktober 2004, toen hij uit de fractie van de VVD stapte, krijgt Tweede Kamerlid Geert Wilders persoonsbeveiliging. Wilders leeft sindsdien, dus al zestien jaar, een vrijwel volledig afgeschermd leven. Hij kan in de Tweede Kamer het woord voeren, maar kan niet vrij over straat lopen, kiezers ontmoeten, of gewoon doen wat iedere vrije burger in Nederland doet. Het is niet overdreven te zeggen dat Wilders nog leeft dankzij de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB), zoals hij zelf eens zei. De PVV-leider krijgt niet alleen al jaren zware bedreigingen, sommigen proberen de daad bij het woord te voegen. Vorig jaar nog kreeg een man uit Pakistan een celstraf van tien jaar, nadat hij in een Facebook-filmpje een aanslag op Wilders had aangekondigd.

Wilders is al jaren de meest bedreigde politicus van Nederland. En zijn veiligheidssituatie mag in het publieke debat nooit genegeerd worden. Maar hij is lang niet de enige. Het aantal bedreigingen dat Haagse politici ontvangen, neemt toe. Daarbij verandert de aard van die bedreigingen. Het zijn niet langer alleen anonieme schelders op sociale media. Politici vertelden eerder deze week aan NRC dat ze opvallend vaak op straat worden lastiggevallen en bedreigd. Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) maakte dat onlangs mee, toen hij werd bedreigd door demonstranten tegen de coronamaatregelen. Meerdere politici zeggen angstig te zijn voor de gevolgen, ook voor hun naasten. Kamerleden vertelden over een klemgereden auto, een doodskist, een filmpje waarin op een afbeelding van iemand geschoten wordt met carbid, thuisbezorgde dreigbrieven. Politici praten hier nooit graag over. Maar het oude argument dat naar schreeuwers niet geluisterd hoeft te worden, gaat niet langer op. De trollen blijken niet uit nullen en enen te bestaan, maar uit vlees en bloed. Het is nodig dat bedreigingen veel meer een onderwerp van publiek debat worden.

Nederland heeft eerder politiek geweld gezien: Pim Fortuyn is vermoord, er zijn aanslagen gepleegd tegen Aad Kosto (PvdA) en Hans Janmaat (Centrum Democraten). Na de moord op Fortuyn ontvingen politici kogelbrieven. De huidige toename van verbale en fysieke belaging kent gevaarlijke precedenten. Wilders kent al lange tijd dreiging uit de hoek van radicale moslims. In dit tijdsgewricht komen daar groepen bij: radicale boeren doken op dicht bij het Binnenhof en bedreigden politici. Hetzelfde deden tegenstanders van coronamaatregelen. Deze groepen vallen niet alleen individuen aan, ze bedreigen de spelregels van de parlementaire democratie. Politici worden onder druk gezet om een politiek doel te bereiken. Een extreme vorm daarvan is op dit moment zichtbaar in de Verenigde Staten, waar al sinds de zomer bij demonstraties geweld als politiek middel wordt ingezet. Daar zijn inmiddels doden gevallen, waardoor een open, publiek debat wordt vergiftigd. Door bedreigingen te negeren, of te doen alsof het erbij hoort, wordt de stap naar fysiek geweld kleiner. Daarom was het moedig dat bijvoorbeeld Rob Jetten (D66) aandacht vroeg voor de haatberichten die hij ontvangt.

Een dieper probleem is de aard van de bedreigers. Het lijkt erop dat een grote groep burgers zich niet gehouden voelt aan democratische basisprincipes. De groep van waaruit bedreigingen naar Omtzigt werden geroepen, riep ook termen als ‘satanisten’ en ‘deep state’, hiermee een groot complot suggererend. Mensen die deze ideeën aanhangen, en dus echt denken dat politici een geheim satanistisch netwerk van rituele kindermisbruikers onderhouden, kunnen daar grote consequenties aan verbinden. Dat is een risico van leven in een parallel universum met eigen waarheden.

Uit onderzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTv) bleek dat veel bedreigers vallen onder de categorie ‘gefrustreerd’: mensen maken zich zorgen over een maatschappelijk probleem, en voelen grote stress of trauma’s. Natuurlijk moeten bedreigers gestraft worden, vervolging moet een prioriteit van het Openbaar Ministerie zijn. De rol van politici is dat ze bedreigingen aan de kaak blijven stellen, en tegelijkertijd zorgen en onzekerheden blijven benoemen. Naast de ‘bezorgde burger’ staan zonder die naar de mond te praten: het is eenvoudig gezegd, maar moeilijk gedaan. Het is cynisch en weinig motiverend dat uitgerekend Pieter Omtzigt, die een vorm van ‘ombudsmanpolitiek’ bedrijft, door demonstranten geen erkenning kreeg. Partijen zijn nu bezig hun kandidatenlijsten samen te stellen. Helaas moeten kandidaten mentaal om kunnen gaan met een verhit maatschappelijk klimaat, waarin ze mogelijk ernstig bedreigd worden. Dat zal veel mensen afschrikken. Die constatering alleen al is een verlies voor de democratie.