Recensie

Recensie Boeken

Wilde woede klauwt en klettert in dit nieuwe avontuur van Marco Kunst

Jeugdboek Marco Kunst klutst je hersenen soms alsof het roereitjes zijn, maar het is het waard om je te laten meeslepen in zijn onstuimige sprookjesavontuur.

‘Ik begrijp nauwelijks waar ik terecht ben gekomen.’ Dat zegt weeskind en bootvluchteling Lodewijk Loodsman na een kwart van de avontuurlijke tocht die zijn geestelijk vader Marco Kunst voor hem heeft uitgestippeld. En eerlijk is eerlijk, ook als lezer vraag je je dan af welke koers Kunst zal varen met Het verlangen van de prins, zowel de titel van zijn nieuwste boek als de naam van de driemaster waarop Lode na zijn ontsnapping uit Huize Landvast onbedoeld verzeild is geraakt. Maar laat je niet weerhouden door de nogal onverklaarbare situatie waarin Lode zich bevindt en de onbestemde richting van het vreemde schip, dat op de vlucht is voor de woede van een Indonesische prins en al driehonderd jaar als een soort Vliegende Hollander met een vervloekte bemanning rond de wereld vaart. Laat je vooral meesleuren in de onstuimige draaikolk waarmee Kunst zijn klassiek aandoende sprookjesavontuur zo daverend opent en die, welbeschouwd, symbool staat voor wat volgt.

Onder hypnose

Moeilijk is dat niet. Net als in zijn eerdere boeken, waarbij het fantasievol spelen met tijd en ruimte de gemene deler is, zoekend naar antwoorden op het waarom van het leven, toont Kunst (1966) zich een vaardig verteller. Hij heeft een uitgebalanceerd gevoel voor ritme en humor, en zijn woorden en zinnen stromen als vanzelf. Meeslepend is bijvoorbeeld de scène waarin Lode door bemanningslid Olek onder hypnose wordt gebracht, zodat hij in ‘het gebouw van zijn geheugen’ achter ‘de draaideuren, schuifdeuren, klapdeurtjes en gewone deuren – groot en klein’ kan ontdekken wat de link is tussen hemzelf, de verdrinkingsdood van zijn ouders en de Indonesische prins (over wie hij regelmatig droomt).

Dat Oleks vrouw aanvankelijk niet zoveel vertrouwen in de ‘hypnotische kladderatsch’ van haar echtgenoot heeft, vergroot de zogenaamde willing suspension of disbelief overigens effectief. ‘Hij klutst je hersenen alsof het roereitjes zijn’, waarschuwt ze Lode. Toch daalt de jongen moedig in zijn geheugen af. Mooi ontroerend is Lodes ontmoeting daar met zijn vader en moeder die hij vergeefs probeert te omhelzen – tegelijkertijd overmand door verdriet en geluk (‘zijn vingers gleden door het herinneringsbeeld heen zonder iets te raken’). Grimmig is Lodes schimmige treffen met de prins die hem vertelt dat het schip is gebouwd voor zijn eeuwige geluk en hem dus toebehoort: de reden van zijn wrok.

Lees ook: Knotsgekke Kunst op weg naar het niveau-Roald Dahl

Wilde kracht

Lode is een ware avonturenheld. Hij heeft de sleutel in handen om de vloek van de prins op te heffen en diens woede te ondermijnen, een woede die Kunst krachtig beschrijft en opvoert als ‘een duistere wilde kracht’ (daarbij knipogend naar de ontembare, duivelse witte walvis uit Herman Melvilles Moby Dick). Tegelijkertijd is Lode een levensecht jongetje, een zoekende ziel die verlangt naar vrijheid, geborgenheid en geluk, zoals dat ook geldt voor zijn scheepsmaatjes, het verweesde sproetenmeisje Tulp en de rolstoeljongen Tyman die met zijn betoverende trompetspel de wereld troost. Treffend is onder andere het moment als Lode beseft dat de prins schuld heeft aan zijn ouders’ dood waarna Kunst hem geloofwaardig in een boze, innerlijke strijd stort, die hij veelzeggend in het duistere ruim van het schip ‘voorbij de diepste diepte’ met zichzelf uitvecht, in een hallucinerende droom.

Zo houdt Het verlangen van de prins het midden tussen een pretentieloos schuimend zeeavontuur en een symbolische sprookjesvertelling over levenskunst en de eeuwige zoektocht naar geluk, die meesterverteller Paul Biegel in herinnering roept. Niet alleen vanwege de weemoedige ondertoon die ligt besloten in het besef dat blijvend geluk niet bestaat, maar vooral ook vanwege Kunst zijn zwierige taalgebruik, zelfverzonnen woorden en goedlopende gekke zeemansliedjes waarin ‘de wilde woede, weids en woest/ klauwt en klettert, knauwt en knoest!’ De allermooiste vondst is wel ‘de heimvis’, wiens vreselijk droevige uiterlijk fenomenaal is verbeeld door Marieke Nelissen, die met haar klassieke, dromerige illustratiestijl dit rijke verhaal in het hele boek extra cachet geeft.