Opinie

Institutioneel racisme moet geen mantra worden

Paul Scheffer

Ik keek wel even op van de verklaring die historicus James Kennedy in juni deed uitgaan namens zijn University College in Utrecht. Hij verklaarde „volledig” achter Black Lives Matter te staan en stelde dat alle empirisch onderzoek wijst op een in Nederland „diepgeworteld” en „wijdverbreid” institutioneel racisme. Ook het vluchtelingenbeleid zou daarvan doortrokken zijn.

Dat is nogal wat voor een universitaire instelling. Laten we het bij de empirie houden. Het begrip institutioneel racisme is afkomstig van de Black Power-beweging in het Amerika van de jaren zestig. Die term heeft allereerst betrekking op de zwarte gemeenschap, die het slachtoffer is van honderden jaren slavernij en wettelijk verankerde segregatie.

Dat is echt een andere ervaring dan die van migranten in Amerika. De Italiaanse migranten van vroeger of de Koreaanse migranten van nu bijvoorbeeld, maken binnen enkele generaties een grotere sociale stijging door dan de zwarte gemeenschap, die daar eindeloos veel generaties over doet. En die geringe vooruitgang van grote groepen Afro-Amerikanen is de uitkomst van eeuwenlange uitsluiting.

De patronen van ruimtelijke segregatie bevestigen dat: ook de segregatie van de zwarte gemeenschap is onvergelijkbaar met die van de migrantengemeenschappen in steden als Chicago en New York. Gettovorming is niet de situatie van de meeste migranten – laat staan dat die zich zou voortzetten van generatie op generatie.

Kortom, slavernij en migratie zijn zeer verschillende ervaringen, die nu onder de noemer van people of color te veel door elkaar worden gehaald. De term ‘institutioneel racisme’ is gerechtvaardigd als het gaat om de zwarte bevolking die al heel lang in Amerika woont. De totale verwaarlozing van hele wijken in een stad als Milwaukee, die we onlangs in het NOS Journaal zagen, spreekt boekdelen.

We kunnen leren van de Amerikaanse ervaring, want dit onderscheid tussen slavernij en migratie heeft gevolgen voor het begrip van de situatie in Nederland. De zwarte gemeenschap die na de oorlog hiernaartoe is gekomen, volgt het patroon van de migratie. De sociale mobiliteit is zichtbaar, al zijn er hardnekkige achterstanden. Vergeleken met de andere klassieke migrantengemeenschappen doen de Surinaamse Nederlanders het beter. Een voorbeeld: het verschil in arbeidsparticipatie met de Marokkaanse gemeenschap is bijna 10 procent. Er is vooruitgang: „duidelijk meer” dan bij de eerste generatie „nadert de welvaart van tweede generatie Antillianen en Surinamers die van Nederlandse leeftijdsgenoten”, zo lezen we in de Integratiemonitor 2018 van het CBS.

Ook de segregatie in Nederland voldoet niet aan de toets van institutioneel racisme. De ruimtelijke scheiding tussen bevolkingsgroepen in ons land lijkt eerder op die van migrantengemeenschappen in Amerika. De trek van Amsterdamse Surinamers naar steden als Almere of Purmerend laat zien dat de segregatie van generatie op generatie afneemt.

Al met al roepen zulke gegevens niet direct het beeld op van een land waar zwart en wit steeds verder uiteengroeien. Het valt me op dat juist politici en wetenschappers die het idee omarmen van een ‘institutioneel racisme’ tegelijk hoog opgeven over de ‘spectaculaire vooruitgang’ van de tweede generatie. Je zou denken: die twee stellingen zijn niet gemakkelijk te verzoenen.

Woorden hebben betekenis. Mensen stelselmatig als minderwaardig behandelen op basis van hun huidskleur vormt het nulpunt van beschaving. Wie de lange geschiedenis van slavernij en gedwongen segregatie op zich laat inwerken, is terughoudend met een beladen begrip als ‘institutioneel racisme’.

In onze contreien doet die term vooral een beroep op het geweten. Zolang het gaat over discriminatie of vooroordeel lukt dat volgens sommigen niet. Racisme als verwijt raakt mensen wel. Of het op den duur werkt, weet ik niet: zulke vierkante woorden stoten ook af. En het schept een gevoel van onmacht: hoe kunnen we iets veranderen als het racisme werkelijk zo alomtegenwoordig is?

Ik zie het anders: in een vreedzaam conflict wordt vooruitgang zichtbaar. Nieuwe generaties eisen hun plek op. Dat is het verhaal van migratie: na het langs elkaar leven komen de conflicten die vooruitlopen op aanvaarding. Bij de protesten liepen zwart en wit zij aan zij. De werkelijkheid is vast weerbarstig, maar we zijn de vermijding allang voorbij.

Niemand zal ontkennen dat er te veel voorbeelden zijn van ongelijke behandeling op de arbeidsmarkt of bij de Belastingdienst. Ik denk dat wanneer we zulke vormen van discriminatie of vooroordeel preciezer benoemen, we er beter in slagen om zulk onrecht terug te dringen. Dat vraagt inderdaad om een gevoel van urgentie: op de tolerantie in ons land valt genoeg af te dingen.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.