Opinie

Het vaccin als nieuw Manhattan-project

Column Niet alles wat onderzocht kan worden, móét ook onderzocht worden, schrijft Robbert Dijkgraaf.

Robbert Dijkgraaf

Soms heb ik het gevoel in een spookhuis te leven. Dan waart even de geest van een vorige bewoner rond. Zeker de afgelopen maand, waarin de wereld terugkeek op de schok van de eerste kernbommen en het abrupte einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Robert Oppenheimer blijft een controversieel figuur, als wetenschappelijk leider van het Manhattan-project en als sympathisant van het communistische gedachtegoed. Er zijn maar weinigen die zowel van links als van rechts bekritiseerd worden, als oorlogsmisdadiger en als landverrader.

In 1945 werd het verhaal van de atoombom in scherpe licht-donkercontrasten geschetst. De heroïsche inspanningen van de fysici in het Manhattan-project; de Faustiaanse figuur van Oppenheimer die zijn wetenschappelijke ziel verkocht; de plotselinge beëindiging van de oorlog na de bommen op Hiroshima en Nagasaki, en de vele mensenlevens die in deze gruwelijke optel- en aftreksom waren gered. Deze karikatuur is nog altijd springlevend. Onlangs vertelde een oudere Amerikaan mij nog hoe hij zijn leven aan de atoombom dankte. In augustus 1945 stond hij als 18-jarige marinier klaar voor de invasie van Japan.

De afstand van 75 jaar is voldoende om de noodzakelijke historische nuance aan te brengen. Een stortvloed van recent verschenen boeken en artikelen laat zien hoe sterk versimpeld het verhaal van toen was. Zo blijkt de bezetting van Mantsjoerije door Sovjettroepen enkele uren voor de bom op Nagasaki ook een belangrijke rol gespeeld te hebben bij de capitulatie van Japan. De overwegingen van Truman om de bom te gooien en een onvoorwaardelijke overgave te verlangen, waren deels gemotiveerd door binnenlandse politieke overwegingen. Zijn Republikeinse tegenstanders waren zich namelijk al aan het voorbereiden op de Koude Oorlog en zagen Japan als een medestander tegen de communisten. De Trinity-testexplosie in de woestijn van New Mexico was gevaarlijker voor de omwonenden dan gedacht. Ook in eigen land ging men slordig om met de gezondheid van de bevolking.

Fatalisme en optimisme

Het is ook ontnuchterend de woorden van de fysici te lezen vlak nadat de kernbommen hun vernietigend werk hadden gedaan. Op 2 november 1945 sprak Oppenheimer zijn staf in Los Alamos toe. Deze toespraak is opvallend naïef in zijn fatalisme en zijn optimisme. Er klinkt in ieder geval geen twijfel in door over het eigen handelen: „Het was een organische noodzaak. Als je een wetenschapper bent, kun je zoiets niet stoppen. Als wetenschapper geloof je dat het goed is om erachter te komen hoe de wereld werkt; dat het goed is om erachter te komen wat de werkelijkheid is; dat het goed is om de mensheid in het algemeen de grootst mogelijke macht te geven om de wereld te beheersen en ermee om te gaan volgens haar inzichten en haar waarden.”

Vandaag de dag kom je niet meer weg met zo’n eenvoudige boodschap. Niet alles wat onderzocht kan worden, móét ook onderzocht worden. Zie de recente ophef over de genetische experimenten met embryo’s in China, die streng veroordeeld zijn door de internationale gemeenschap. Evenzeer wordt er in sommige kringen gewaarschuwd voor het ontwikkelen van almachtige algoritmes.

Tegelijkertijd overschatte Oppenheimer het belang van zijn eigen werk. De komst van het atoomwapen zou, naar hij dacht, een radicale transformatie van de geopolitiek inluiden, een wereld brengen waarin geen rol was voor nationalisme en ideologische strijd. In zijn ogen was de ontwikkeling van kernwapens een even grote bedreiging voor het bestaande wereldbeeld als de geboorte van de moderne wetenschap in de zeventiende eeuw of de komst van Darwins evolutietheorie in de negentiende. Een bedreiging van de gevestigde orde, maar ook van de wetenschap zelf. Atoomwapens brachten een cultuur van geheimhouding en controle die wezensvreemd was aan de wetenschap. In zijn woorden: „Je kunt geen wetenschapper zijn als het niet je hoogste waarde is die kennis te delen, met iedereen die geïnteresseerd is.” Niets bleek minder waar. De wapenwedloop van de Koude Oorlog was het gevolg.

Collectieve krachtsinspanning

Het Manhattan-project leeft nu vooral als metafoor. De mogelijkheid om met een collectieve krachtsinspanning een onoverkomelijk obstakel te overwinnen: de genezing van kanker, een duurzame energiebron, of een coronavaccin. Ook nu is er de hoop dat deze pandemie zo uitzonderlijk is dat die de wereld bijeenbrengt. Zeker nu de vijand niet een ander land is.

Wederom lijkt de werkelijkheid weerbarstiger. In de race naar een vaccin lijkt het weer ieder voor zich. Ook de metafoor van een Koude Oorlog wordt van stal gehaald. Grote landen als Amerika dringen naar voren in de rij. Goed bedoelde intenties voor Europese samenwerking lijken eerder een rem dan een versnelling te geven. Er zijn berichten van ongeëvenaarde spionageactiviteiten van Rusland en China om biomedische gegevens te stelen.

De zelfoverschatting en de machteloosheid van de wetenschap lijken dus van alle tijden. De relatie tussen onderzoek en beleid is even verraderlijk nu, als in 1945. Zoals onlangs iemand opmerkte: „Als je wetenschap en politiek mengt, krijg je politiek.”

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.