Opinie

De neergang van het Brits-Amerikaanse prestige

Brexit De VS en Engeland belichaamden na WOII liberalisme en internationale openheid. Daarvan is weinig over, schrijft De Britten hebben hun historische kans gemist.
De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill tijdens besprekingen in Casablanca.
De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill tijdens besprekingen in Casablanca. Foto Bettmann

Het was 75 jaar geleden duidelijk wie onze bevrijders waren: behalve een behoorlijk aantal dappere Polen, waren het de Engelssprekende landen, Canada, het Verenigd Koninkrijk en de VS. Zij hadden de oorlog gewonnen in naam van de vrijheid en democratie. De Sovjet-Unie won de grootste en bloedigste veldslagen, maar Stalin had enigszins andere opvattingen over vrijheid en democratie.

Het prestige van de Angelsaksische landen stond op zijn top. Zij waren het die in het Westen na de oorlog de toon aangaven. De nieuwe wereldorde werd door die landen gevormd.

Slagschip

De blauwdruk voor die orde was het Atlantisch Manifest, in 1941 door Churchill en Roosevelt getekend op een slagschip in een baai in Canada. Het was geen verdrag, maar een lijst van principes. De belangrijkste waren internationale samenwerking, multinationale instellingen, en het recht van volkeren op zelfbeschikking.

Churchill, toen nog aan het hoofd van een wereldrijk, vond niet dat koloniale volkeren dat recht moesten krijgen. Roosevelt vond dat wel. Maar de Brits-Amerikaanse alliantie was te belangrijk om er ruzie over te maken. Voorlopig zou het recht op zelfbeschikking zich beperken tot landen onder Duitse bezetting.

Het prestige van de VS en het VK heeft lang standgehouden. Ondanks even roekeloze als nutteloze oorlogen in Vietnam en elders, ondanks oprispingen van Koude Oorlog-hysterie, en ondanks warme steun aan enkele bepaald niet democratische regimes, golden de Engelssprekende landen voor veel mensen als lichtende voorbeelden van internationale openheid en liberalisme.

Extreemrechts gespuis

Van dit prestige is in onze tijd van Trump en Brexit nauwelijks meer iets over. Trump is nu eerder een voorbeeld voor Duitse neonazi’s en ander extreemrechts gespuis.

Trump ontleent zijn leus ‘America First’ aan de isolationisten in de jaren dertig, die vaak warmer liepen voor Hitler dan voor Roosevelt. Zijn Republikeinse aanhangers zijn voor alles waar Roosevelt fel tegen was. En Churchill was, ondanks al zijn imperiale pretenties, een internationalist die haast zeker niet voor een Britse breuk met Europa zou zijn geweest. Hij was het die, in 1946, pleitte voor een verenigd Europa, hoewel hij de toekomstige rol van het VK in het midden liet.

Lees ook: Liever pijn dan onzekerheid over de Brexit

Hoe is dit fiasco te verklaren? De mogelijke redenen beperken zich niet tot Engeland en Amerika: het groeien van economische ongelijkheid, verouderde politieke instellingen, zelfgenoegzame elites, afkeer van immigranten, etcetera. Maar volgens mij is er ook een verband tussen de neergang van het VK en de VS en hun glorie in 1945.

Oorlogstriomfen

Menig president liet zich na de oorlogstriomfen verleiden om Churchill als een model te zien. Engeland was nooit echt populair bij Amerikanen; maar Churchill was en blijft een held. Hij is het gezicht van het Angelssaksische ‘exceptionalism’, de nationale uitzonderlijkheid, wat Duitsers ooit hun ‘Sonderweg‘ noemden. Maar Duitsers hebben uit hun catastrofale nederlaag geleerd om die pretentie op te geven. Engelsen en Amerikanen deden het tegenovergestelde: door hun overwinning kregen nationale mythes nog meer wind in de zeilen.

George W. Bush was niet de eerste Churchill-vererende president die aan een lichtzinnige oorlog begon tegen een tegenstander die veelal met Hitler werd vergeleken. Saddam Hussein was zeker een bruut, maar hij was geen Hitler.

Die rampzalige oorlog heeft bijgedragen aan Trumps ‘America First’-streven. Veel Trumpstemmers komen uit de provincie en zijn betrekkelijk laag opgeleid – precies de soort mensen die na Vietnam zijn omgekomen of verminkt in Amerikaanse oorlogen in landen waarvan zij meestal nauwelijks gehoord hadden. En dat in naam van die vrijheid en democratie.

Religieuze bevlogenheid

De toenmalige Britse Labour-premier Tony Blair was net zo’n bewonderaar van Churchill als Bush. Hij deelde met de president een religieuze bevlogenheid om de wereld te bevrijden van allerlei Hitlers.

Een van zijn argumenten voor de Britse deelname aan de invasie van Irak, „schouder aan schouder” met de VS, was dat de Amerikanen de enigen waren die het Verenigd Koninkrijk bijstonden in 1940. Dit was historisch onjuist: mensen uit vele landen vochten in 1940 aan de kant van het VK, maar niet Amerikanen.

De Britten wilden niet bij Europa aansluiten omdat zij de oorlog hadden gewonnen

Valse nostalgie was niet de enige reden waarom presidenten en premiers aan onbezonnen oorlogen begonnen, de Britten om het Suez-kanaal in 1956, de Amerikanen in Vietnam, de Britten en de Amerikanen in Irak. Er is behalve die van Churchill nog een andere geest die dwaalt door de gangen van Downing Street en het Witte Huis, en dat is die van Neville Chamberlain: de premier die in 1938 de Duitsers hun gang liet gaan in Tsjechoslovakije in ruil voor een belofte dat zij het daarbij zouden laten. Churchill omschreef deze ‘appeasement’ als een bittere nederlaag.

De angst om als een Chamberlain de historie in te gaan heeft Britse en Amerikaanse leiders evenveel parten gespeeld als de droom om het heldhaftige voorbeeld van Churchill te volgen.

Bijna bankroet

Door de overwinning op Hitler en Japan was het VK bijna bankroet in 1945. Maar de Churchill mythe en de herinnering aan het ‘finest hour’ heeft op de langere termijn een nog funestere invloed gehad. Het VK heeft zich van begin af aan afzijdig gehouden van Europese pogingen om gezamenlijke Europese instellingen te bouwen.

Deze weerstand was niet alleen conservatief. De socialistische regering van Clement Attlee wilde niets te maken hebben met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) uit angst dat die de linkse Britse welvaartstaat zou bedreigen. Maar de belangrijkste reden waarom de Britten zich niet bij Europa wilden aansluiten had alles te maken met de nationale mythe: zij hadden de oorlog gewonnen. De anderen waren nazi’s of waren door Duitsland onder de voet gelopen. Hoe kon het VK zich als een gelijke beschouwen met andere Europese landen?

Het VK had in de jaren vijftig een leidende rol kunnen spelen in de Europese integratie. Dat zij die kans heeft laten liggen, werd door de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson „de grootste blunder na de Tweede Wereldoorlog” genoemd.

En nu is het zover: een ‘America Firster’ in het Witte Huis en Britse isolatie in Europa. Het is niet de eerste keer in de geschiedenis dat een moment van glorie de kiem bevat van toekomstig verval.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.