De circulaire economie is nog vooral een vage ambitie

Grondstoffen We wéten eigenlijk niet eens hoeveel grondstoffen we gebruiken in Nederland, zegt het PBL. Doelstellingen zijn er wel – de helft minder grondstoffen in 2030 bijvoorbeeld. Maar de helft van wat dan precies?

Waar hoort de gebruikte doordrukstrip voor kauwgom of pillen te belanden? Lees hieronder meer over deze foto.
Waar hoort de gebruikte doordrukstrip voor kauwgom of pillen te belanden? Lees hieronder meer over deze foto. Beeld Lynne Brouwer

Nederland moet in 2030 de helft minder grondstoffen gebruiken, en via dat tussendoel dient het in 2050 over een circulaire economie te beschikken. De vraag naar nieuwe grondstoffen is dan klein, en dat moet over dertig jaar ook voor de afvalberg gelden.

Sinds 2016 is dit de politieke ambitie en met nog tien jaar te gaan is de vraag: gaan we die halvering in 2030 halen?

Het is een vraag die niet valt te beantwoorden. „Het klinkt flauw, maar nergens is vastgelegd van welk jaar we uitgaan”, zegt onderzoeker Maikel Kishna van het Planbureau voor de Leefomgeving. „We zijn zelf bij het PBL ooit uitgegaan van 2014, maar dat is echt een keus voor beleidsmakers. In 2014 bijvoorbeeld bevond de woningbouw zich nog op een dieptepunt.” Juist omdat de bouwwereld veel grondstoffen gebruikt, komt een halvering in 2030 dan extra hard aan.

Wezenlijker nog is de vraag of er voldoende zicht is op de hoeveelheid grondstoffen die de Nederlandse economie jaarlijks verbruikt. Nee, is het antwoord van Frank Dietz, bij het PBL verantwoordelijk voor de studies over circulaire economie. „We zitten echt met een kennisgat.” Daardoor is een eventuele halvering moeilijk vast te stellen.

Over gebruik van energie zijn meer data beschikbaar

Volgens Dietz loopt de omschakeling naar een circulaire economie wel vijftien jaar achter op de energietransitie. Op dat vlak zijn veel meer data en indicatoren. „Ik geef vaak de emissieregistratie als voorbeeld. Bedrijven zijn verplicht te melden welke stoffen ze naar lucht, water en bodem uitstoten en in welke hoeveelheden. Aan de hand daarvan krijg je overzicht en kan je beleid maken. Voor de circulaire economie zijn we nog niet zo ver. Met anderen zijn we nu bezig aan een informatiesysteem voor grondstoffen.” Bedrijven zouden dan verplicht worden om te melden welke grondstoffen waarvoor zijn gebruikt.

In 2016 zetten minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) en staatssecretaris Sharon Dijksma (Milieu, PvdA) de contouren voor een circulaire economie op papier. In een brief naar de Tweede Kamer formuleerde Dijksma toen ook het doel voor 2030. „De ambitie van het kabinet is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen)doelstelling te realiseren van 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen).”

Voortkomend uit dit ‘Rijksbrede programma Circulaire Economie’ volgde het Grondstoffenakkoord. Daarin is onder meer afgesproken dat bedrijven, overheden en kennisinstellingen in vijf sectoren (voedsel en biomassa; maakindustrie; bouw; kunststoffen; consumptiegoederen) naar de overgang naar een circulaire economie gingen kijken. Dat leidde tot plannen in de vorm van ‘transactieagenda’s’.

Kennis opbouwen

Maar bij de formatie van het huidige kabinet, in 2017, werd beslist vooral op energietransitie in te zetten. Het streven naar een circulaire economie belandde op het tweede plan: er waren alleen financiële middelen beschikbaar als maatregelen ook direct tot minder CO2-uitstoot leiden.

Wel trok minister Stientje van Veldhoven (Milieu, D66) extra middelen uit om voldoende kennis op te bouwen. Sinds 2019 trekt een groot aantal kennisorganisaties onder regie van het PBL samen op. Dietz: „En dat is belangrijk, juist omdat we onvoldoende weten welke en hoeveel grondstoffen er worden gebruikt.” Begin volgend jaar moet dit leiden tot een eerste (tweejaarlijkse) rapportage. „Daarin proberen we antwoorden te geven op vragen als: hoe circulair zijn we nu eigenlijk en bereiden producenten en consumenten zich voldoende voor op een circulaire economie? En hoe pakken de verschillende ministeries het samen aan om die circulaire economie dichterbij te brengen?”

Samenwerking binnen de rijksoverheid is essentieel. Want hoe kan je als landelijke overheid inzetten op halvering van de grondstoffen als je er de komende tien jaar ook een miljoen huizen bij wil hebben?

„Er moet sprake zijn van regie die de langetermijnvragen beantwoordt en de samenhang bewaakt”, zegt Dietz. Kijk bijvoorbeeld naar vuilverbrandingsinstallaties die nu voor de komende decennia worden ingezet als bron voor warmtenetten. „In een circulaire economie willen we de hoeveelheid afval juist terugbrengen, en dan moet je voor de verwarming van je huis niet afhankelijk zijn van de verbranding van afval.”

Zand en grind

Het PBL vraagt zich in een recente studie ook af of het eigenlijk wel verstandig is om vooral in te zetten op minder grondstoffen in 2030, zoals nu het doel is – nog los van het ontbreken van de data. „Minder grondstoffen gebruiken is natuurlijk altijd goed, maar met zo’n doel vergeet je wellicht andere aspecten”, zegt Maikel Kishna. „Wordt het milieu er echt beter van als we vooral de hoeveelheid zand en grind halveren?”

Kishna is een van de auteurs van de Doelstelling Circulaire Economie 2030, die vorig jaar december op verzoek van Van Veldhoven verscheen. „Het doel van circulaire economie is breder. Je wilt de milieudruk verminderen en minder afhankelijk zijn van bepaalde grondstoffen. Dan is alleen kijken naar het aantal kilo’s grondstoffen niet voldoende. Nog even afgezien van de vraag wat de gevolgen voor bijvoorbeeld de bouwwereld zijn.”

Ook recyclage en de hoeveelheid restafval van huishoudens staan vaak centraal bij beleidsmakers. Zo werd in 2016 als doel geformuleerd dat elke inwoner in 2020 jaarlijks nog maar honderd kilo restafval aanbiedt. Over vijf jaar moet dat zelfs op dertig kilogram liggen. Gaan we dat halen? We komen van ver, want in 2009 produceerden we gemiddeld 265 kilo en dat was in 2018 151. Om die honderd kilo in 2020 te halen „is nog een versnelling nodig”, constateerde Van Veldhoven vorig jaar.

Het is belangrijk dat we veel langer gaan doen met grondstoffen: zuiniger worden en bezit delen

Recyclage is maar een deel van de oplossing, zegt Kishna. Het gaat erom dat we veel langer omgaan met grondstoffen, dat we zuiniger worden en bezit delen. „Neem het voorbeeld van de deelauto’s. We kunnen nog zo efficiënt auto’s recyclen, maar als we veel minder auto’s nodig hebben omdat we die delen, levert dat meer grondstoffenbesparing op en goede recyclage.”

Wat recyclage betreft, doet Nederland het helemaal niet slecht. „Die percentages zijn al vrij hoog en verder verhogen is kostbaar. Je kan je afvragen of dat nuttig is. Nuttig is wel je meer te richten op hoogwaardige recyclage. Nu verliezen producten vaak een groot deel van hun waarde. En probeer liever de hoeveelheid goederen die in het afval belandt terug te brengen”, zegt Kishna.

Hoe? Bijvoorbeeld door apparaten zo te ontwerpen dat we ze kunnen repareren. „Zorg ook dat we onderdelen makkelijker kunnen hergebruiken”, zegt Dietz. En de consument heeft eveneens een rol. „Waarom vinden we het normaal een auto tweedehands aan te schaffen en een telefoon niet? En kan je niet beter naar de bouwmarkt gaan om een boormachine te huren als je een gaatje in de muur wil?”

Volgens Dietz gaat het streven naar een circulaire economie de komende decennia met vallen en opstaan. De overheid is een treffend voorbeeld. Wat is logischer dan dat Rijk, gemeenten en andere onderdelen – samen jaarlijks goed voor zo’n 70 miljard euro aan inkoop – vooral spullen kopen die recyclebaar zijn, (deels) hergebruikt zijn of zuiniger zijn geproduceerd? Dat zou een geweldige stimulans zijn. Ondanks alle pogingen werd pas twee jaar geleden afgesproken dat in 2022 10 procent van de inkoop – van bureaustoelen, ‘verantwoorde’ viaducten tot hergebruikte laptops – ‘circulair’ moet zijn.

Inkooporganisaties zitten vaak vast aan regels die volgens Kishna een duurzame keuze bemoeilijken. „Zo worden benzineauto’s gekocht omdat die goedkoper zijn in de aanschaf. Maar het kan best zijn dat duurzame auto’s op de langere termijn goedkoper zijn, door bijvoorbeeld minder onderhoud of lagere energiekosten. Inkoopregels kunnen zo’n afweging bij de aanschaf onmogelijk maken.”