Analyse

De circulaire economie alleen gaat ons niet redden

Vier kritiekpunten op de circulaire economie Bedrijven, landen, steden en provincies: ze willen allemaal snel circulair worden, zeggen ze. Maar de kritiek vanuit wetenschap en milieubeweging zwelt aan. „Bedrijven pikken eruit wat hun goed uitkomt.”

In welke prullenbak hoort de lege chipszak? Lees hieronder meer over deze foto.
In welke prullenbak hoort de lege chipszak? Lees hieronder meer over deze foto. Beeld Lynne Brouwer

Aan ronkende aankondigingen over de circulaire economie geen gebrek de laatste tijd: van overheden tot werkgeversorganisaties tot hele industrieën. Afvalreuzen Veolia en Suez kondigden vorige week aan dat ze ‘wereldkampioen ecologische transformatie’ willen worden door vol in te zetten op circulair grondstoffengebruik. De Limburgse Werkgevers Vereniging kondigde vorige maand aan te beginnen met het project ‘Limburg circulair en afvalvrij’.

De Europese Commissie sloot eerder dit jaar een ‘plasticpact’ met verschillende industrieën. „Om de transitie te versnellen naar een circulaire Europese plasticeconomie.” De Nederlandse overheid wil daarbovenop dat binnen vijf jaar driekwart van alle verpakkingen een tweede leven krijgt. Amsterdam wil in 2050 een stad zijn „waar we waardevolle materialen en grondstoffen hergebruiken en geen afval produceren”.

Goed nieuws voor de planeet, al die ambities – zou je denken. Maar terwijl bedrijfsleven en overheden de circulaire economie stevig omarmen, keren milieuorganisaties zich er juist vanaf. „Het blinde geloof in een circulaire economie is geen antwoord op echte problemen”, zegt Mike Shellenberger, oprichter van milieuorganisatie Environmental Progress en schrijver van de bestseller Apocalypse never: why climate alarmism hurts us all. En hoewel hij als uitgesproken ‘ecomodernist’ een vrij contraire figuur is onder milieubeschermers, staat Shellenberger niet alleen in zijn kritiek.

Greenpeace publiceerde laatst een dringende waarschuwing dat de circulaire economie moet worden afgeremd en herzien. „Bedrijven en overheden leggen de verantwoordelijkheid bij ons, de burger”, zegt campagneleider Paula Tejón Carbajal. „Als de planeet viezer wordt, komt dat niet door hun eigen misdragingen, maar doordat wíj te weinig recyclen. Helaas gaat de circulaire economie alleen ons niet redden.”

Ook uit wetenschappelijke hoek klinkt kritiek op de manier waarop bedrijven en overheden invulling geven aan hun circulaire ambities. „Er wordt wel héél optimistisch op ingezet, terwijl er nog heel veel innovatie nodig is om al die grote plannen werkelijkheid te maken”, zegt Marinke Wijngaard, directeur circulaire economie bij onderzoeksorganisatie TNO.

Ernst Worrell, hoogleraar energie, hulpbronnen en technologie aan de Universiteit Utrecht, plaatst ook kanttekeningen bij de hype: „Het leidt af van de fundamentele systeemdiscussie die nodig is.” We zouden het volgens hem behalve over recycling ook moeten hebben over de vraag of een economie überhaupt wel eindeloos kan groeien.

De kritiek op circulaire plannen komt van verschillende kanten. Wat zijn de voornaamste argumenten?

  1. De term wordt misbruikt

    Allereerst is er niet zoiets als dé circulaire economie, het is een – excusez le mot – containerbegrip geworden, waar zowel bedrijven als overheden heel verschillend invulling aan geven. De term omvat allerlei initiatieven om afval te verminderen, efficiënter gebruik te maken van grondstoffen en die te hergebruiken.

    In een circulair systeem worden afval, CO2-uitstoot, energie- en grondstoffenverbruik geminimaliseerd. „Maar échte circulaire systemen draaien ook om duurzaam productontwerp, zodat dingen minder snel stuk gaan, het opzetten van reparatiesystemen en bedenken van nieuwe bedrijfsmodellen, zoals het delen van apparaten en auto’s via digitale platforms”, zegt Worrell.

    Dat zijn veranderingen die bestaande verdienmodellen nogal op hun kop zouden zetten. Maar de meeste aandacht gaat de laatste tijd uit naar één specifiek element van de circulaire economie: recycling, het inzamelen van gebruikte grondstoffen en die hergebruiken. Vooral recycling van plastic is een populair thema.

    Die aandacht voor recycling is voor het bedrijfsleven wel erg gunstig, vindt Greenpeace. „Bedrijven pikken eruit wat hun goed uitkomt,” zegt Carbajal van Greenpeace. „Ze willen de productiecirkel sluiten om op die manier goedkoper te produceren, maar vergeten gemakshalve de rest van de andere principes van een circulair systeem. Ze willen immers nog wel gewoon eindeloos doorgroeien, terwijl die groei het probleem is.”

  2. Recyclen niet altijd nuttig

    Daar komt bij dat recycling notoir inefficiënt, duur en energie-intensief is voor veel grondstoffen. Het is zeer de vraag is of het ooit gaat lukken om significante hoeveelheden materiaal te hergebruiken, afgezien van enkele succesverhalen zoals papier en sommige dure metalen.

    Van plastics wordt ondanks alle aandacht en inspanningen wereldwijd nog maar 8 à 9 procent opnieuw gebruikt, een mager procentpuntje meer dan in 2010. Het is vaak simpelweg niet haalbaar om het materiaal op een winstgevende manier opnieuw te gebruiken.

    „Als je een autobumper recyclet, wil dat je er ook weer een autobumper van kunt maken”, zegt Marinke Wijngaard van TNO. „Maar dat kan lang niet altijd. Nu eindigt veel plastic in bermpaaltjes of damwanden.”

    De recyclingindustrie en instellingen als TNO werken hard aan betere methodes. „Maar we zijn echt nog niet zover dat de grote ambities om bijvoorbeeld alle verpakkingen circulair te maken, waargemaakt kunnen worden”, zegt Wijngaard.

    Volgens hoogleraar Worrell is 100 procent circulair worden simpelweg onmogelijk: „Dat zou veel te veel energie kosten. En logischerwijs is het ook niet mogelijk als de economie blijft groeien, want dan houden we een instroom van nieuwe materialen.”

    Die instroom kan paradoxaal genoeg door recycling zelfs groeien. Dat noemt Greenpeace de ‘efficiëntieparadox’. Als productie efficiënter en goedkoper wordt, neemt de vraag toe, en het totale grondstoffenverbruik ook.

  3. Is er wel een probleem?

    Niet bij al het grondstoffengebruik is het milieuprobleem zo evident. Vaak is recycling of het gebruik van biobased alternatieven (gemaakt uit planten bijvoorbeeld) nóg slechter voor het milieu dan de conventionele materialen.

    Kijk wederom naar plastic. Dat staat al jaren in een kwaad daglicht, maar dat is niet altijd terecht. Mike Shellenberger wijst erop dat plastic vaak veel schadelijker grondstoffen vervangt. „Brilmonturen werden vroeger van zeeschildpaddenschilden gemaakt, nu van plastic. Ik weet wel wat ik liever heb.”

    Zelfs de vaak vermaledijde plastic folie om de komkommer in de supermarkt houdt die komkommer langer goed en voorkomt voedselverspilling. „Anders dan wat veel mensen denken, scheelt dat juist in de CO2-uitstoot”, zegt Marinke Wijngaard.

    Een economie die voortbouwt op eindeloze groei is een piramidespel – óók als je veel hergebruikt

    Ze wijst ook op toepassingen van nieuwe plastics in autobouw, waardoor die auto’s lichter worden en minder benzine gebruiken. „Greenpeace kan zeggen: dat vinden we niet leuk. Maar auto’s zijn er nu eenmaal, en dan moet je vooral de zwarte kanten van het materiaalgebruik vermijden. Laat het liever niet in de oceanen komen, en als het energiezuinig kan: recyclen om er nieuwe materialen mee te maken.” Maar helemaal vervangen is niet per se nodig, en helemaal recyclen simpelweg onmogelijk.

    Al in 2015 heeft TNO draagtassen van verschillende plastics vergeleken met katoenen, papieren en jute varianten. De uitkomst van deze studie was dat alle plastics qua milieu-impact beter presteerden. Met name wat land- en zoetwatergebruik betreft, maar ook op het gebied van energiegebruik, leverde de productie van de alternatieven een belangrijke belasting voor het milieu, zoals klimaat, luchtkwaliteit en biodiversiteit, volgens TNO.

    Er zijn nog geen goede inschattingen van de milieu-impact van het zwerfafval dat plastic veroorzaakt, vergeleken met de alternatieven, of van de impact van microplastics en andere neveneffecten. Maar de studie laat wel zien dat het niet altijd goed voor het milieu is om plastics zomaar te vervangen door – schijnbaar milieuvriendelijker – alternatieven.

    Ook het kwade daglicht waarin verbranding van plasticafval staat, vindt niet iedereen terecht. „Waarom zou plasticverbranding per se minder natuurlijk zijn dan recycling?”, vraagt Mike Shellenberger. „Omdat vuur onnatuurlijk is? Als je echt bezorgd bent over CO2-uitstoot, moet je het plastic op een vuilnishoop storten. Maar dat kost vaak veel landoppervlak en gaat ten koste van ecosystemen.”

    Hij wijst op de vele schandalen die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen, waarbij grondstoffen voor ‘recycling’ naar Aziatische landen werden verscheept om daar vervolgens alsnog in de oceaan te belanden. „Een goede stelregel zou zijn dat elk land gewoon zijn eigen afval opruimt. Dan heb je drie opties: verbranden, op de vuilstort of recyclen. En recyclen is dan zelden de beste oplossing wat betreft uitstoot, dus dan wordt het verbrand. Het probleem is vaak dat er helemaal geen probleem is.”

  4. Circulair leidt af

    Wat vooral opvalt als je critici over de circulaire economie hoort: er lopen nogal wat problemen, argumenten en bezwaren door elkaar. Klimaat, grondstoffengebruik, plasticsoep, milieubescherming, morele bezwaren tegen de manier waarop het huidige kapitalisme functioneert.

    Hoogleraar Ernst Worrell ziet dat de focus op recycling in elk geval geen recht doet aan de complexiteit van het milieuvraagstuk. „De overkoepelende vraag is: moeten we wel consumeren op deze manier? Het lijkt alsof we klem zitten. Terwijl bedrijven en overheden inzetten op circulair, blijft de echte vraag onbeantwoord. Een economie die voortbouwt op eindeloze groei, is een piramidespel – ook als je veel hergebruikt.”

    Wel denkt hij dat recycling, hoe imperfect ook, een belangrijk fundament van de circulaire economie is: „Maar er moet dus iets bovenop het fundament worden gebouwd, en dat gebeurt nu niet of te weinig.”

    Greenpeace wijst hoopvol naar kleine stappen die sommige landen al zetten met wetgeving, zoals belastingprikkels voor reparaties, beperking van advertenties voor vervuilende producten, en inzamelingsverplichtingen voor fabrikanten van bijvoorbeeld elektronica.

    Ook Mike Shellenberger en andere ecomodernisten vinden dat de hype rondom de circulaire economie een verandering in de weg staat naar een economisch systeem dat fundamenteel anders werkt. Alleen ziet zijn ideale systeemverandering er heel anders uit dan die van Greenpeace.

    Shellenberger ziet energie als belangrijkste knelpunt voor het bereiken van een écht milieuvriendelijke economie. Een circulaire economie heeft namelijk heel veel schone energie nodig om efficiënter grondstoffen te recyclen. Kernenergie is wat hem betreft de enige levensvatbare optie om aan de enorme energiebehoefte van een circulaire samenleving te voldoen, een onderwerp waar al decennia felle debatten over worden gevoerd.

    Ook wijst hij erop dat landen die de laatste jaren minder zijn gaan uitstoten en milieuvriendelijker zijn gaan produceren één bepalend kenmerk gemeen hebben: „Dat zijn allemaal rijke landen. Dus is het beste antwoord op milieuproblemen arme landen snel rijk te maken.” Hij wordt enthousiast van de woorden van MIT-hoogleraar Andrew McAfee, die zei dat „we niet een ruk aan het stuur van de economie moeten geven, maar juist het gaspedaal van het kapitalisme harder indrukken”.

    Dat is een nogal controversiële stelling. Maar ook Marinke Wijngaard van TNO signaleert dat eerst meer technologische ontwikkeling nodig is. „Die komt historisch gezien alleen voort uit welvaartsgroei. Het mooie aan de aandacht voor circulair is dat allerlei partijen nu samenwerken. De auto-industrie werkt ineens samen met de chemische industrie en afvalverwerkers. Als we het daarmee uiteindelijk milieuvriendelijker kunnen krijgen, waarom niet?”

    De verschillende stromingen in de milieubeweging en academische wereld staan op grote dossiers lijnrecht tegenover elkaar, maar ze hebben één ding gemeen: ze vinden dat recycling en het circulair maken van productieketens slechts één puzzelstukje is. En dat bedrijven, overheden en burgers daar op dit moment veel te veel van verwachten.