Opinie

Alle onderwijsvernieuwing gaat ten koste van ‘zwakke’ kinderen

Onderwijsvernieuwing De vele vernieuwingen in het onderwijs hebben een ongewis, darwinistisch klimaat gecreëerd, waarin de sterkste wint en de kansarme scholier verliest, aldus .
Illustratie Timber Sommerdijk

‘Nederland is wereldkampioen onderwijsinnovatie”, schreef Monique Vogelzang, hoofd van de Onderwijsinspectie, in 2019. Er is geen land ter wereld waar het onderwijs zo vaak vernieuwd wordt als bij ons in Nederland. Het rendement van al die vernieuwingen, constateerde Vogelzang, en zij was zeker niet de eerste, is in het beste geval zeer beperkt.

Dat is de paradox van alle vernieuwingszucht in ons onderwijs: de vernieuwers die onvermoeibaar sleutelen aan hoe onze kinderen moeten leren, zijn zelf helaas nogal hardleers. Zij hebben verstand van leren, maar vooral van het leren van anderen, zelf hebben ze er een broertje dood aan. Onderwijsvernieuwingen worden niet onderbouwd en niet geëvalueerd, schrijft Vogelzang, er wordt te weinig verantwoording afgelegd, vrijblijvendheid is troef.

Het wachtwoord waarmee je in Nederland voorbij alle bureaucratische slagbomen komt, luidt ‘innovatie’. Intussen neemt het aantal laaggeletterden en –gecijferden gestaag toe, en daalt Nederland jaar in jaar uit op de internationale onderwijsranglijsten, zoals PISA en TIMMS. De organisatie van rijke industrielanden OESO spreekt met betrekking tot Nederland over een „overduidelijk negatieve trend”.

Waar komt dat Nederlandse vernieuwings-fetisjisme vandaan? Zoals James Kennedy zo fraai beschreef in zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw (1995), zijn wij Nederlanders dol op ‘vernieuwing’. Wij lopen graag voorop. Een van de ergste dingen die je in Nederland over iemand kan zeggen is dat hij ‘ouderwets’ is.

Een andere factor is de verzuiling. Nederland kent een enorme verscheidenheid aan onderwijsvormen: Agora-onderwijs, brede scholen, Daltonschool, islamitische scholen, Jenaplanschool, joodse scholen, katholieke scholen, Montessorischolen, protestantse scholen. Is er in dit ruime aanbod nog steeds niets van je gading, dan kun je zelf een school beginnen, vanuit jóuw levensbeschouwing of jóuw onderwijsfilosofie – met geld van de overheid. In Nederland kun je gewoon een ‘iPadSchool’ beginnen omdat je het idee hebt dat kinderen misschien wel heel goed kunnen leren met iPads. Bewijzen? Niet nodig. Een wollig verkoopverhaal is genoeg.

Zo’n cultuur is natuurlijk een geweldige stimulans voor experimenten. Maar ‘experimenteren met kinderen’ klinkt onprettig, dus dat noem je dan ‘onderwijsvernieuwing’.

Lees ook: Onze leescultuur is om zeep gebracht

Pedagogiek als ‘civic religion’

Kerken, politieke partijen, omroepen, allemaal kwamen ze door de ontzuiling onder druk te staan: minder leden, minder middelen, minder macht. Maar niemand betwist de legitimiteit van het onderwijs, dus de onderwijswereld is die dans grotendeels ontsprongen. Alle (quasi) niet-gouvernementele organisaties die zich met het onderwijs bemoeien, zijn blijven bestaan, het werden er zelfs meer. Onderwijskunde en pedagogiek als civic religion.

De raden voor primair en voortgezet onderwijs, de onderwijsvakbonden, de Onderwijsinspectie, het College voor Toetsen en Examens, het Freudenthal Instituut, Cito, en ook tal van steunpunten, stuurgroepen, platforms of projectorganisaties, denk aan de Stichting School en Veiligheid, MBO in Bedrijf, Kennisnet, de Onderwijscoöperatie, Leraar24 of de Steunpunten Taal en Rekenen – het is maar een greep. Organisaties met geld, invloed, macht en autonomie, die naar hartelust aan het onderwijs sleutelen zonder dat zij afgerekend worden op de resultaten.

„Dit arsenaal aan beleidsbemoeiende en meesturende organisaties tussen overheid en scholen in is de afgelopen twintig jaar fors toegenomen, als mosselen aan een boot”, schreef hoogleraar onderwijsbestuur Edith Hooge ooit in NRC. „Er wordt heel wat op de scholen ‘afgevuurd’: impulsen, verbinding, communicatie, voorlichting, advies, gesprek, reflectie, inspiratie, goede voorbeelden, regels, modellen, kaders, en informatie, door onderwijsgevenden vaak ervaren als ‘sturingsoverload’. Door de afwezigheid van de leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders en -bestuurders in dit poldersysteem, ontbreekt het aan hun inzichten, terwijl die onontbeerlijk zijn.”

Lees ook: Onderwijsplannen zijn vaag en multi-interpretabel

De Commissie Dijsselbloem (2008), die onderzoek deed naar onderwijsvernieuwingen, stelde vast dat ze zelden iets opleveren en vaak schadelijk zijn, en besloot dat zij in elk geval nooit meer mogen worden ondernomen zonder solide wetenschappelijke onderbouwing en serieus publiek debat. Maar het lijkt simpelweg onmogelijk om deze vernieuwingsindustrie in bedwang te krijgen. De invoering van een nieuwe rekenmethode ging bijvoorbeeld gewoon door. En wat gebeurde er sindsdien met het rekenniveau van de Nederlandse leerling? Dat daalde. Toeval?

Het volgende debacle is alweer in de maak: Curriculum.nu, een ambitieuze, breed opgezette herziening van het leerprogramma van het Nederlandse onderwijs. Curriculum.nu komt voort uit Ons Onderwijs2032, dat een aantal jaren geleden werd gelanceerd met min of meer dezelfde missie. Op ‘2032’ kwam veel kritiek, vooral door de pseudo-transparante werkwijze en de dubieuze obsessie met zaken als ‘persoonsvorming’ en ‘burgerschap’.

Het project werd gestaakt, maar gaat omgedoopt tot Curriculum.nu gewoon door. Drijvende kracht achter Curriculum.nu is de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), in 1975 opgericht door Joop den Uyl en een belangrijke motor achter veel onderwijsvernieuwingen. De crisis in het onderwijs lijkt nog niet tot de SLO te zijn doorgedrongen. Want wat er ook te lezen valt in de plannen en discussiestukken van Curriculum.nu, het evidente probleem, de dramatisch teruglopende taal- en rekenvaardigheden van Nederlandse scholieren, wordt er niet in geadresseerd. Bij de SLO is men niet bezig met zulke banale problemen, maar liever met het werken aan een nieuwe wereld en een nieuwe mens. Als je de SLO zou vragen iets te doen aan het instorten van flatgebouwen, zou er een plan volgen om naar Mars te gaan, waar minder zwaartekracht is.

Geen wetenschappelijke basis

De hedendaagse politiek is steeds meer een monocultuur geworden van academici en hoger opgeleiden, lees Diplomademocratie van Mark Bovens en Anchrit Wille. Een democratie met een blinde vlek voor wat ‘gewone’ mensen denken en willen. Hetzelfde geldt voor deze onderwijsvernieuwingsindustrie. Een van de laatste grote onderwijsvernieuwingen, het Studiehuis, was het levenswerk van Clan Visser ’t Hooft. Zij was rector van het Roland Holstcollege in Hilversum, grotendeels bevolkt door kinderen van de welvarende, hoogopgeleide Gooise elite. Een omgeving waar Clans filosofie best aardig leek te kunnen werken, al was het maar omdat er in dat milieu genoeg geld en kennis is om onderwijsgaten dicht te lopen. Geen wetenschappelijke basis, geen bewezen successen - een mooi, bevlogen verhaal was genoeg om onderwijsminister Jacques Wallage (PvdA) er in te laten tuinen.

Al die nieuwe onderwijsconcepten en -methoden hebben zo hun ideologie, maar er is wel een rode draad in te ontdekken. Of eigenlijk twee. Onderwijsvernieuwers willen dat het onderwijs sociale ongelijkheid wegneemt én ze willen het ‘kindvriendelijker’ maken. Hun eigen schoolverleden dient daarbij als tegenvoorbeeld. Toen zij zelf op school zaten stond de leraar centraal, nu gaan zij het kind centraal stellen. Onderwijs was dwingend en rigide, herinneren zij zich, dus maken zij het nu vrijblijvend en fluïde. Hun onderwijs was gericht op cognitie, dus zij gaan focussen op persoonlijke vorming. Kortom: onderwijs was niet leuk, en zij gaan het leuk maken.

Zo ontstaan raadselachtige termen als ‘Ontwikkelingsgericht Onderwijs’, alsof onderwijs ooit op stagnatie gericht is geweest. Het onderwijs moet kindvriendelijker worden (lees: leuker) en het moet kansenongelijkheid wegnemen. Verheffing, emancipatie, empowerment, daar draait het om. Onderwijsvernieuwers dromen van sociale gelijkheid en zien het onderwijs als middel om die droom te verwezenlijken. Op zichzelf terecht, want dat ís onderwijs ook. Tenminste: goed onderwijs.

Geen bijsluiters kunnen lezen

Maar met elk verstrijkend schooljaar wordt duidelijker dat de onderwijsvernieuwers juist het tegendeel teweeg hebben gebracht. Een kwart van alle Nederlandse 15-jarigen verlaat het onderwijs als functioneel analfabeet en 16 procent als laaggecijferd. Zij kunnen geen bijsluiters lezen en geen kassabonnen controleren. Die percentages stijgen. Uit welke sociale milieus zouden deze kinderen komen? Precies: laag opgeleid, laag inkomen.

De onderwijsvorm die de vernieuwers hebben gecreëerd, waarin het kind, zijn ‘persoonsvorming’ en zijn ‘leerbehoeften’ centraal staan; waar ‘ontwikkelingsgericht onderwijs’, ‘ontdekkend leren’ en ‘realistisch rekenen’ de plaats hebben ingenomen van kennisoverdracht en directe instructie, heeft als gevolg dat kansarme kinderen het juist moeilijker hebben gekregen. Zij raken verder achterop en krijgen niet de elementaire vaardigheden die zij nodig hebben om vooruit te komen in de samenleving waar zij recht op hebben.

Ondanks hun verheffingsbeloften en egalitaire retoriek hebben de onderwijsvernieuwers zodoende een vrijblijvend, neoliberaal onderwijs gecreëerd dat zich concentreert op welzijn, opvoeding en persoonlijke vorming en dat de verwerving van elementaire kennis de facto overlaat aan redzame, hoogopgeleide ouders, ondersteund door een groeiend aanbod van onderwijsschade-herstelbedrijven als Foutloos Rekenen.

Is het voor hoogopgeleide ouders die hun kinderen willen helpen al lastig genoeg om de voortdurend veranderende leermethoden van hun kinderen bij te houden („Nee pap, dat is een staartdeling, dat mag niet!”), voor laagopgeleide ouders is dit een illusie. Gevolg: het meest vernieuwende onderwijsland ter wereld is tevens een van de sterkste dalers op de ranglijsten.

Het wordt tijd dat politici die onderwijsvernieuwers hun gang laten gaan, onder ogen beginnen te zien dat de voortdurende vernieuwingen in het onderwijs een ongewis, darwinistisch klimaat hebben gecreëerd, waarin het voor kinderen uit ‘zwakke’ milieus alleen maar moeilijker is geworden om via het onderwijs vooruit te komen in de samenleving. Waarin de sterkste wint en de zwakkere verliest. Wat was het probleem dat zij pretendeerden op te lossen? Precies dat!

Het onderwijs moet afscheid nemen van de welbespraakte kwakzalvers met hun miraculeuze recepten voor weer een vernieuwing, waarvan de werkzaamheid maar moet worden afgewacht. In plaats daarvan zouden ze moeten luisteren naar echte experts, met beproefde methodieken en bewezen resultaten. Tijd om alle onderwijsvernieuwingen, Curriculum.nu voorop, onmiddellijk een halt toe te roepen en volledige prioriteit te geven aan het stoppen van de dramatische degradatie van ons taal- en rekenonderwijs.

De enige vernieuwing die de komende twintig jaar nog in het Nederlandse onderwijs zou moeten worden toegestaan is het terugdraaien van eerdere vernieuwingen.

Soms is de enige weg voorwaarts de weg terug.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.