Recensie

Recensie Boeken

Is de oppositie tussen zwart en wit te overwinnen?

Racisme Aan de vooravond van de presidentsverkiezingen branden Amerikaanse steden. Is de oppositie tussen zwart en wit te overwinnen of wezenlijk voor het Westen? Deze drie nieuwe boeken proberen die vraag te beantwoorden.

Black Lives Matter-protest in Rochester, New York, afgelopen zaterdag.
Black Lives Matter-protest in Rochester, New York, afgelopen zaterdag. Foto Maranie R. Staab/AFP

Terwijl Amerikaanse steden branden en het land aan de vooravond van een cruciale presidentsverkiezing op de rand van chaos lijkt te wankelen, kan ook een enkele kapitaal een kardinaal verschil maken. Onder invloed van de Black Lives Matter- beweging zijn tal van Amerikaanse media Black gaan schrijven en niet langer black, om aan te geven dat het hier gaat om een bevolkingsgroep met een gedeelde historie en cultuur. Voor niet-zwarte ‘mensen van kleur’ is nu de term Non-Black People of Color (NBPoC) in zwang en, een stukje inclusiever want met Zwarte mensen erbij, de verzamelnaam Black, Indigenous and People of Color (BIPoC).

Met die eerste typografische revolutie zal schrijver Frank B. Wilderson III tevreden instemmen. Met de tweede, waarin zwarte Amerikanen toch weer samengevoegd worden met andere mensen van kleur, vermoedelijk wat minder.

Wilderson, hoogleraar Afro-Amerikaanse studies in Californië, is een van de gangmakers van ‘afro-pessimisme’, een radicaal anti-racisme dat een intens sombere, massieve diagnose stelt van de Amerikaanse samenleving als geheel en al gebouwd op de uitbuitende oppositie van Zwart en Wit. Of die tussen Zwart en niet-Zwart, want Wilderson trekt de grens ook met andere gemarginaliseerde groepen. Zij zijn ‘junior partners’ in witte onderdrukking. Zwart lijden is ‘van een andere orde dan dat van andere gemarginaliseerde groepen’, poneert hij in zijn langverwachte Afropessimism.

In dat boek drijft hij zijn pessimisme tot het uiterste door, met een grimmig resultaat. Zwart-zijn, schrijft hij, is synoniem met Slaaf-zijn. Dat laatste is geen historisch verklaarbaar verschijnsel, maar een ontologische status. ‘Slaafsheid’ plaatst Zwarte mensen tegenover de (ook met een kapitaal) Mensheid. ‘Ik weet dat ik Mens ben, want ik ben niet Zwart’, is het universele adagium. Keerzijde: de Mensheid heeft Zwart nódig om zichzelf te zijn. Geweld tegen Zwarte mensen is ‘noodzakelijk’ voor de Mensheid om het contrast – en dus de eigen superieure status – te waarborgen. Tussen de autobiografische verhalen door, barst Afropessimism van zulke onthutsende slagzinnen. Zwart zijn, aldus Wilderson, is lijden als ‘gastheer van Menselijke parasieten’. Want ‘negrofobie’ is het ‘fundament’ van de wereld.

Gefouilleerd door Zwarte Jood

Is er dan nog redding te verwachten? Bij Wilderson biedt alleen ‘het einde van de wereld’ soelaas. Zijn ontologische bepaling van Slavernij maakt begrippen als emancipatie en bevrijding problematisch zo niet ondenkbaar. De ‘sociale dood’ die Zwart zijn is, kán worden overwonnen, maar eerst moet je die positie ‘tot de jouwe maken’. Dus: accepteren dat Zwart-zijn nooit zal worden geaccepteerd. Daarna kan ‘de plantage’ worden afgebrand ‘van binnenuit’. Dat houdt in: het ‘omarmen van wanorde en incoherentie’ en van de ‘desintegratie van de samenleving’, oftewel zelfs van ‘burgeroorlog’.

Zoals vaker in het genre ‘auto-theorie’ onderbouwt Wilderson (1956) zijn betoog met fragmenten uit zijn biografie; ervaringen worden geacht de beweringen te bewijzen. Nu is zijn levensloop fascinerend genoeg: hij groeide op in een activistisch academisch milieu, verkeerde in de jaren zeventig in revolutionaire kringen en verleende in de jaren negentig hand- en spandiensten aan het ANC in Zuid-Afrika (waar hij naar eigen zeggen bij het Mandela-bewind in ongenade viel om zijn ultralinkse opvattingen).

Twee pijnlijke voorvallen openen hem de ogen voor wat zijn afropessimisme zou worden. Op een actiebijeenkomst wordt zijn vader uitgejouwd door Native Americans die niet naar een ‘nigger man’ willen luisteren. Een Palestijnse collega vertrouwt hem later toe dat fouilleren pas echt vernederend was als het gedaan werd door een Zwarte Jood. Kortom, de analogie tussen Zwarte mensen en andere verdrukten bleek ‘een verzinsel’: ‘ons vlees en onze energie worden misbruikt voor postkoloniaal, feministisch, LHBTI, immigratie, transgender en arbeiders-activisme’. Een intersectionele benadering waarin assen van onderdrukking (etniciteit, klasse, gender) apart en in samenhang worden geanalyseerd, is aan Wilderson dus niet besteed: Zwart zijn of niet-Zwart zijn, dat is de (enige) vraag die ertoe doet.

Wat is dit voor apocalyptisch antiracisme?

Het zou een vergissing zijn Afropessimism letterlijk te lezen als een ‘theorie’. Het boek is veel eerder een bittere evocatie van het eeuwenlange, traumatische anti-zwarte racisme en geweld in de VS. ‘Zwart’ en ‘Slavernij’ zijn bij Wilderson epistemologische grensbegrippen die een zwarte beleving van de werkelijkheid moeten uitdrukken. Zo drijft hij de diagnoses van eerdere anti-racistische denkers op de spits, zoals die van de beroemde zwarte socioloog W.E.B. Du Bois (1868-1963), die vaststelde dat de Negro werd gezien als ‘iets tussen mens en vee’. Hij radicaliseert het ‘dubbele bewustzijn’ dat Du Bois bij Zwarte Amerikanen waarnam in een onderdrukkende samenleving; ‘de Zwarte psyche’, aldus Wilderson, ‘is altijd in oorlog met zichzelf’, gevangen door de witte blik.

Uitzuigen

Het verschil is dat bij Du Bois en denkers als Frantz Fanon die kritische diagnoses emancipatie en ‘dekolonisatie van de geest’ dienen. Bij Wilderson lopen ze uit op een metafysica van Zwart Lijden, met christelijk-eschatologische ondertonen. Zwart-zijn is een ‘schandaal’ voor een vijandige wereld – zoals de apostel Paulus schreef over het verdrukte christendom in het Romeinse Rijk.

Lees ook het interview: Robin DiAngelo: ‘De vraag is niet of je racistisch bent, maar hoe je racistisch bent’

Met zijn plaatsbepaling van Zwart als tegendeel van de Mensheid lijkt Wilderson ook schatplichtig aan de nazi-stigmatisering van Joden als een parasitair non-volk zonder eigen cultuur en geschiedenis. Het verschil is dat de parasitaire verhoudingen bij hem zijn omgedraaid: de Mensheid leeft door Zwarte mensen uit te zuigen. Wildersons onwrikbare dualisme lijkt bovendien – maar dan als aanklacht – het filosofische racisme te spiegelen van denkers als Hegel, die ook een diepe kloof zagen tussen Afrika en de ‘beschaafde’ wereld. Of de antropologie van Kant of Aristoteles, die meenden dat sommige volken ‘natuurlijke’ slaven waren. Trouwens, de slavenhouders in het Zuiden van de VS dachten er ook zo over.

Geen wonder dat juist sommige marxistische of postkoloniale auteurs zich tegen zijn afro-pessimisme hebben gekeerd. Op de site Dipsaus schreef emeritus-hoogleraar antropologie Gloria Wekker als eerste in Nederland een even scherpe als erudiete recensie van Afropessimism, dat ze ‘liefdeloos, uitzichtloos en verdeeldheid zaaiend’ noemde. Ze hekelde Wildersons ‘essentialistische’ en ‘onverzoenlijke’ indeling van de wereld en vond het ‘schokkend dat velen, met name van de jongere generatie ook in Nederland’ dit gedachtegoed zo aantrekkelijk vinden.

Het gewelddadigste systeem ooit

Ze is niet de enige. In Back to Black, zijn overzicht van radicaal Zwart denken, is ook Kehinde Andrews kritisch. Dat wil iets zeggen, want deze Britse hoogleraar Black Studies sympathiseert met afro-pessimisme en is zelf ook niet wars van een stevige mening of twee. Het liberale Westen heet bij hem ‘het gewelddadigste systeem dat ooit op de planeet heeft bestaan’, geheel en al gebouwd op racisme (een oordeel dat hij deelt met Charles W. Mills die een ‘raciaal contract’ ziet als basis van de moderniteit). Zwarte mensen in het Westen leven ‘in de buik van het beest’, aldus Andrews. Niet integratie moet daarom het doel zijn, maar revolutie – in Afrika. Als de revolutie daar slaagt, zal dat ook consequenties hebben voor het Westen, want ‘terwijl we het huis verlaten, moeten we het laten instorten’.

Andrews deelt Wildersons argwaan over het begrip solidariteit, want ‘het is een misvatting om te denken dat anderen ons niet ook zullen onderdrukken omdat ze niet wit zijn’. Net als Wilderson hekelt hij marxisten die anti-racisten kapittelen dat het meer over klasse moet gaan en minder over ras. Toch is de ‘fundamentele zwakte’ van afro-pessimisme volgens Andrews dat Zwart-zijn daarin opnieuw wordt gedefinieerd in termen van de onderdrukkers. Zwart zijn is geen ‘sociale dood’, werpt Andrews strijdbaar tegen, het is een daad van verzet.

Lees ook: In Amerika weet iedereen wat de kleur ‘wit’ betekent – Nederland komt er nu pas achter

Zo betreden we het conceptuele mijnenveld waarin anti-racistische denkers al sinds Du Bois hun weg zoeken. Begrippen als ras, Zwart en Wit zijn sociale constructies, dus contextgevoelig en veranderlijk, maar hebben niettemin zéér reële effecten. Hoe voorkom je dat onder het verzet daartegen toch weer raciaal essentialisme opduikt?

Wilderson kiest de vlucht naar voren: in zijn guerilla-ontologie blaast hij Zwart op tot contrapunt van de Mensheid. Andrews is minder extreem, maar toch ook ambivalent. Enerzijds noemt hij Zwart (contra Wilderson) een ‘politiek’ begrip en een ‘keus’, anderzijds spreekt hij van de ‘onbreekbare navelstreng’ met Afrika die alle Zwarte mensen verbindt. Over Witheid is hij een stukje minder ambivalent: dat is ‘een psychose’, totaal irrationeel. Wilderson pathologiseert in zekere zin Zwart-zijn (in de ogen van de wereld), Andrews keert het om.

Kleurenblindheid 2.0

In Unlearning Race kiest de Amerikaanse (in Parijs woonachtige) schrijver Tomas Chatterton Williams een compleet andere benadering. Deze bedachtzame, precieuze auteur wil juist af van raciale polariteiten en zoekt naar kleurenblindheid 2.0: raciaal denken moeten we ‘afleren’. Het definiëren van een ‘correcte’ Zwarte identiteit, met bijbehorende ideologische ballotage, staat dat volgens hem juist in de weg. Hij spreekt van een antiracistische ‘rancuneleer’ die polariserend raciaal denken alleen maar bestendigt.

Williams hoort bij de conservatieve zwarte stemmen in het Amerikaanse debat. Ook hij schrijft ‘auto-theorie’, met lange passages over zijn familiegeschiedenis. Hij noemt zichzelf een ‘existentialist’ en meent dat racisme overwonnen kan worden in persoonlijk contact en collectieve verbeelding.

Dat klinkt verstandig, maar is ook naïef. Je kunt ras wel willen vergeten, maar gemarginaliseerde groepen worden er door anderen maar al te graag aan herinnerd zodra ze een gelijkwaardige positie opeisen: zie ook de online racistische bagger in Nederland. Dáárin schuilt het gelijk van Wildersons afro-pessimisme. Op dat structurele racisme is Willliams’ morele psychologie net zomin een antwoord als Wildersons eigen eschatologische verabsolutering van slaaf-zijn.

Het bewustzijn van racisme dat Black Lives Matter heeft veroorzaakt en dat de VS nu op zijn grondvesten doet schudden, vraagt niet om paranoïde metafysica of precieuze etiquette, maar om solidariteit en democratisch engagement – als het even kan zonder het huis in de fik te steken.