Opinie

Een les in bescheidenheid voor iedereen die in coronatijd van alles van het leven eist en boos wordt als dat niet lukt

Michel Krielaars

Op een Franse boerderij lees ik het uit 1995 daterende, maar pas nu vertaalde Vragen deed je niet van de Oostenrijkse schrijfster Lida Winiewicz (Wenen, 1928). Het is het door haar opgetekende levensverhaal van een boerin, die haar buurvrouw was toen ze nog een buitenhuis op het platteland had.

Ik kan het niet wegleggen, zo mooi is het in zijn eenvoud van vorm en taal. Het bestrijkt zo ongeveer dezelfde periode als De verloren toon, haar jeugdherinneringen uit de jaren 1929-1947. Winiewicz leerde Oostenrijk toen op zijn geniepigst kennen. Na de Anschluss van 1938 werd ze als kwart-Joods meisje door haar naaste omgeving uitgekotst. Haar naar Frankrijk gevluchte half-Joodse vader en Joodse stiefmoeder – haar moeder stierf in 1929 – kwamen om in een Duits concentratiekamp. Dat ze de oorlog heeft overleefd is een wonder.

Een wonder is ook dat Winiewicz ondanks alle ellende haar gevoel voor humor nooit is kwijtgeraakt. Humor als medicijn tegen de pijn van het verlies en de teleurstelling in haar medemensen. Maar ook als middel om te accepteren dat het leven is zoals het is. Tijdens het lezen van Vragen deed je niet besef ik dat opnieuw. Het boekje is een klein literair juweel, een les in bescheidenheid voor iedereen die in coronatijd van alles van het leven eist en boos wordt als dat niet lukt.

Het relaas van die boerenvrouw, Christine genaamd, gaat over het basale leven, zoals het toegewijd karnen van boter of het verzorgen van de varkens en koeien. Ze is trots als ze promotie maakt van varkensmeid naar koeienmeid.

Op haar oude dag blikt Christine terug op haar leven. Zo vertelt ze over de kamer van vier bij vijf meter waar ze als kind met haar ouders en vijf broers en zusjes woonde, over het knopen naaien dat ze op haar vierde moest doen, over het slechte eten en de schrijnende armoede. En dan schrijft ze ineens: ‘Echt arm waren de onechte kinderen. Voor hen was het leven een hel. Niemand wilde ze. Niemand keek naar ze om. Ook meneer pastoor niet.’ Alsof het bij haar zelf eigenlijk reuze meeviel.

Op haar tiende ging ze in betrekking bij een boerenfamilie, zodat haar ouders een mond minder hadden te voeden. Maar ook hierover klaagt ze niet. Het hoorde er nu eenmaal bij, dit was het leven. Vragen over het waarom van alles stelde ze dan ook nooit. Alles was zoals het zich aandiende.

Terloops vertelt Christine over het leed van anderen, zoals de gevangenen in het naburige concentratiekamp Mauthausen, over wie iedereen met ‘de hand voor de mond’ praatte of over de slachtoffers van het ‘euthanasieprogramma’ van de nazi’s, waaraan de geestelijk gehandicapte jongen Podl, die niemand kwaad deed, ten prooi viel.

En dan is er natuurlijk Hitler, van wie ze aanvankelijk alleen wist dat hij uit Braunau kwam, niet van Joden hield en oorlog wilde, wat ze vreselijk vond. Over Joden had ze geen oordeel, want die had ze nog nooit in levenden lijve ontmoet. En als er al iemand slecht was, dan was het haar hebzuchtige en valse stiefschoonmoeder, die katholiek was.

In het dorp dachten ze er anders over. Daar eisten ze wel meer van het leven dan de armoede waarmee ze bedeeld waren. Met het basale namen zij geen genoegen. Blind liepen ze dan ook achter Hitler aan om na zijn ondergang verbitterd te ontdekken dat al zijn beloftes vals waren.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.