Biodiversiteit is te redden – als we minder vlees gaan eten

Biodiversiteit Onderzoekers beschrijven in Nature hoe de achteruitgang van het aantal plant- en diersoorten gestopt kan worden.

Bij een evenement in 2013 in Amsterdam wordt een groot maal gekookt van voedsel dat weggegooid dreigde te worden. Tegengaan van voedselverspilling is een manier om de achteruitgang van biodiversiteit te stoppen.
Bij een evenement in 2013 in Amsterdam wordt een groot maal gekookt van voedsel dat weggegooid dreigde te worden. Tegengaan van voedselverspilling is een manier om de achteruitgang van biodiversiteit te stoppen. Foto Herman Wouters

50 procent minder vlees eten én 50 procent minder voedsel verspillen: dat zou, op basis van rekenmodellen, essentieel zijn om biodiversiteitsverlies de komende dertig jaar tegen te gaan. Daarnaast moet fors worden ingezet op natuurbescherming. Dat concludeert een consortium van onder meer het International Institute for Applied Systems Analysis, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Wageningen Economic Research deze week in Nature.

Het is voor het eerst dat een grootschalige modelstudie zulke ambitieuze scenario’s voor biodiversiteitsbehoud analyseert. Kanttekeningen zijn er ook: zo gaat het onderzoek specifiek in op habitatverlies als gevolg van landgebruik, terwijl andere factoren die de biodiversiteit beïnvloeden (zoals klimaatverandering en vervuiling) buiten beschouwing blijven. Bovendien is uitsluitend gekeken naar biodiversiteit op het land. Rivieren, meren en oceanen zijn buiten beschouwing gebleven.

Lees over biodiversiteit: Natuur gaat wereldwijd ongekend snel achteruit

Biodiversiteitsverlies is een wereldwijd probleem. In mei 2019 becijferden onderzoekers in een omvangrijk rapport van het IPBES (het wetenschappelijk biodiversiteitspanel van de Verenigde Naties) dat de natuur in ongekend hoog tempo achteruitgaat: één miljoen van de ruim acht miljoen soorten dieren en planten worden in hun voortbestaan bedreigd, en driekwart van de natuurgebieden op land is aangetast door mensen. Om de biodiversiteit te beschermen, moeten mensen bereid zijn tot fundamentele veranderingen in hun manier van leven, concludeerden de auteurs van dat rapport.

Uitdijende wereldbevolking

Toch lijkt het lastig om het tij te keren. In 2010 werd in de Japanse plaats Nagoya een internationaal akkoord gesloten, waarin werd besloten dat in 2020 de achteruitgang van biodiversiteit moest zijn gehalveerd – dat is niet gelukt. Van andere recent voorgestelde biodiversiteitsdoelstellingen is onduidelijk in hoeverre ze haalbaar zijn, staat in het Nature-artikel: het nastreven van die doelen zou kunnen botsen met andere doelen, zoals de voedselvoorziening voor een uitdijende wereldbevolking.

Om die reden besloten de wetenschappers te onderzoeken of het mogelijk is biodiversiteitsverlies door landgebruik te stoppen en toch voldoende voedsel te produceren. Voor hun aanpak combineerden ze diverse computermodellen voor landgebruik, voedselproductie en wereldwijde biodiversiteit. Met behulp van die modellen zijn zeven verschillende scenario’s uitgerekend, waarin in meer of mindere mate sprake is van bescherming en instandhouding van leefgebieden en waarin juist veel of weinig voedsel wordt verspild, en veel of weinig dierlijke producten worden gegeten.

Als het zou lukken om leefgebieden voor soorten te beschermen, dan zou de achteruitgang in biodiversiteit als gevolg van landgebruik volgens de meeste modellen tussen 2042 en 2061 stoppen. Maar tegelijkertijd zouden voedselprijzen flink kunnen stijgen, ténzij de behoefte aan landbouwgrond wordt teruggebracht. Dit is in de scenario’s en modellen meegenomen door de voedselproductie op duurzame wijze te verhogen, door voedselverspilling te halveren en door de consumptie van dierlijke producten te halveren in welvarende landen waar nu veel vlees op het menu staat.

Jacht en vervuiling

Als aan die voorwaarden – natuurbescherming en omvorming van het voedselsysteem – wordt voldaan, dan zou ruim tweederde van het voorspelde toekomstige biodiversiteitsverlies kunnen worden voorkomen en zou er rond 2050 zelfs helemaal geen biodiversiteitsverlies meer plaatsvinden als gevolg van landgebruik.

Met de nadruk op dat laatste woord: landgebruik. De onderzoekers hebben er bewust voor gekozen om in de studie alleen te kijken naar de invloed van landgebruik en daarmee gepaard gaand habitatverlies. Andere factoren – klimaatverandering, vervuiling, jacht, de introductie van invasieve soorten – blijven buiten beschouwing.

„Dit onderzoek concentreert zich inderdaad 100 procent op habitatverlies”, zegt Aafke Schipper, vanuit het PBL als co-auteur bij de Nature-publicatie betrokken. „Het meenemen van andere bedreigingen was niet voor alle modellen haalbaar. Bovendien is verlies van leefgebied momenteel de grootste bedreiging voor biodiversiteit op het land. Maar andere bedreigingen, waaronder jacht, vervuiling en klimaatverandering, zijn zeker niet verwaarloosbaar. Tegen die achtergrond zou je het pakket maatregelen dat hier is doorgerekend als een minimum kunnen beschouwen.” In een later stadium zou ook gekeken kunnen worden naar de mariene biodiversiteit; nu is alleen de biodiversiteit op land bestudeerd.

Gewervelde dieren

De Nature-publicatie is opgenomen in het deze donderdag gelanceerde Living Planet Report, een tweejaarlijks analyse van het Wereld Natuur Fonds van de wereldwijde biodiversiteit, gebaseerd op de populatiegroottes van gewervelde dieren. Die meetmethode is één van de manieren om biodiversiteitsverlies in kaart te brengen, maar er zijn er meer: zo kan ook gekeken worden naar het aandeel bedreigde soorten, of naar de ruimtelijke verspreiding van soorten. In het huidige onderzoek zijn verschillende indicatoren meegenomen in de berekening.

„Het sterke punt van deze studie is dat er verschillende modellen én verschillende indicatoren voor biodiversiteit worden geïntegreerd”, zegt Bram Büscher, hoogleraar sociologie van ontwikkeling en verandering aan Wageningen University, niet bij het onderzoek betrokken. „Maar wat ik mis is een realistisch plan van aanpak in de huidige politieke context. De auteurs willen een positieve wending aan hun conclusies geven – het tij is nog te keren – maar dat gaat gepaard met een zekere naïviteit die ik vaker zie in dit soort studies. Hoe geavanceerd je modellen ook zijn, het is belangrijk om de menselijke kant niet uit het oog te verliezen. We wéten natuurlijk allang dat er iets moet veranderen in het landgebruik, de vraag is hoe we dat bewerkstelligen. We moeten ecologische expertise combineren met kritische sociale wetenschap, zodat er scherpere politieke druk komt.”