De échte kloostertuin vind je niet meer, maar in Nederland kun je in de buurt komen

Parkzicht Nederland is groener dan je denkt, laat de komende maanden in een serie zien. Deel 1: de kloostertuin.

Kloostertuin van de Domkerk in Utrecht.
Kloostertuin van de Domkerk in Utrecht. Foto Yentl Slik

Het was naar verluidt God zelf die, in den beginne, de aarde voorzag van bloemen, planten en bomen – en daarna in het paradijs de Hof van Eden aanlegde: een onbedorven plek vol zinnelijke schoonheid. In deze ‘tuin der tuinen’ plantte de Schepper „allerlei geboomte begeerlijk om te zien en goed om van te eten”.

Het werd de blauwdruk van alle later door de mens aangelegde stadsparken. Net als in het scheppingsverhaal voldoen die idealiter aan drie basisvoorwaarden: goed gepland, goed ontworpen en goed beheerd. Eeuwenlang gold het paradijselijke voorbeeld als hoogste streven: met de schepping in het achterhoofd legde de mens, eerst tot nut, en naderhand ook tot genoegen, publieke tuinen en parken aan.

Ook in ons land zijn daarvan talloze mooie voorbeelden, die bovendien een groeiende belangstelling genieten: sinds de coronacrisis zijn stadsparken drukker dan ooit – nu eens niet vanwege festivals maar om het park zelf. Een gedwongen vakantie in eigen land, en het uitbundige voorjaar gevolgd door een royale zomer, deden de rest.

Maar wat zie je als je een park, plantsoen of publieke tuin bezoekt? Wat voor verschillen zijn er tussen kloostertuin, paleistuin en rosarium? Welke kwam eerst en welke daarna?

Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva (ca. 1615) van Jan Brueghel de Oude en Peter Paul Rubens. Mauritshuis, Den Haag

Dat laat ik de komende maanden zien in een losjes meanderend, historisch overzicht van tuinen en parken in Nederland. En dat gebeurt dan niet voor het eerst in NRC. In een voorloper van deze krant, het Algemeen Handelsblad, publiceerde aan het begin van de vorige eeuw Jac. P. Thijsse columns over het bedreigde Naardermeer. Die publicaties zouden uiteindelijk leiden tot de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten.

Lees ook de zomerrubriek die Wim Pijbes in NRC had: De Buitengalerij, kunst in de buitenlucht.

Wie Thijsses artikelen herleest, ziet dat er gelijkenissen zijn met nu: nog altijd staat de natuur onder druk, stadsparken lijden onder krimpende budgetten en toenemend gebruik, overal wordt de beplanting onderhoudsvriendelijk gemaakt – en daarmee saai. De urgentie die hij destijds beschreef, is in de loop der jaren alleen maar groter geworden.

Maar wellicht wordt dit jaar een keerpunt en zet de groeiende belangstelling voor de eigen, particuliere tuin – sinds corona doen tuincentra goede zaken, de potaarde is niet aan te slepen – zich door naar een zorgvuldiger beheer van publieke tuinen en parken. Ons land kent nog steeds op een klein oppervlak een enorme variëteit aan groen, met inspirerende voorbeelden van park- en tuinarchitectuur. En Nederlandse landschapsarchitecten staan in de hele wereld bekend om hun creativiteit, vergelijkbaar met de vooraanstaande rol van de bloemenkweek- en de tuinbouwsector.

De tuinen en parken in deze serie zijn een persoonlijke keuze, gezien door een kunsthistorische bril. Een herontdekking van bekende parken en kennismaking met verscholen tuinen. Verwacht geen snoei- en plantadviezen, ik ben geen tuinman. Parkzicht is vooral geschreven met de blik van een liefhebber, een wandelaar, een dromer soms. Een Augenmensch, zou de Duitser zeggen, met gevoel voor schoonheid en besef van tijd. Op pad naar de middeleeuwse kloostertuin, door het romantische wandelpark en rosarium, langs paleistuin, schooltuin en volkstuin.

Wim Pijbes

Deel 1: Kloostertuinen

Wie in ons land terstond terug wil naar de Middeleeuwen kan het best naar Utrecht. Naast de Dom en Museum Catharijneconvent beschikt de stad over een verborgen schat die de tijden van jonkvrouwen, ridders en kastelen doet herleven. Hier vinden we het langst bestaande type tuinontwerp, de kloostertuin. Tot op de dag van vandaag maakt de zuivere indeling van zo’n architectonische groene binnenhof indruk op de bezoeker. Waar ik ook ben, de ruimtelijke werking van een kloostertuin is overal even bekoorlijk. Helaas bestaat een volledig authentieke kloostertuin niet meer. Niet in Nederland, noch ergens anders. Maar op basis van historische bronnen zijn er voorbeelden die dicht in de buurt komen.

Voor de meest betoverende gereconstrueerde kloostertuin moeten we nota bene naar New York, naar The Cloisters. Dit kloostercomplex in een park in Upper Manhattan werd in de jaren dertig letterlijk samengesteld uit originele onderdelen van vervallen en afgebroken kloosters uit het middeleeuwse Europa, om zo het Amerikaanse publiek een notie te geven van hoe de Middeleeuwen eruitzagen. Een kruisgang uit Spanje, een kapel uit Italië, wat fragmenten uit Duitsland: zo ontstond dit über-klooster, inclusief tuin. De Middeleeuwen zijn hier onherstelbaar verbeterd, om met Gerrit Komrij te spreken. Hier werkt de illusie sterker dan de werkelijkheid.

Domtuin

Om hetzelfde gevoel te krijgen en een goede indruk van hoe zo’n oorspronkelijke tuin eruitzag, kent Nederland gelukkig ook indrukwekkende voorbeelden: het klooster in Ter Apel en de Pandhof van de Dom in Utrecht. Deze laatste ligt verborgen tussen de Domkerk en het Academiegebouw aan het autovrije Domplein. De tuin is gratis te bezoeken, het besloten karakter draagt bij aan de serene sfeer, een van de kenmerken van een kloostertuin.

Deze tuinen hadden behalve een nutsfunctie ook een hoger doel, namelijk bezinning en contemplatie. In het van de wereld afgesloten klooster stond alles immers in het teken van bidden en werken, ora et labora. In Utrecht maken de vijftiende-eeuwse kruisgang met zijn gotische spitsboogramen, het uitzicht op de naastgelegen kerk, maar vooral het ontbreken van auto- en andere stadsgeluiden de middeleeuwse beleving compleet. Wie zoals ik het geluk heeft om tijdens een bezoek de klokken van de Dom te horen, waant zich in een andere tijd.

De kloostertuin vormt het begin van de Europese tuinarchitectuur. Het grondplan voert regelrecht terug op het paradijs en de Hof van Eden, waarin zoals beschreven in de Bijbel vier stromen de tuin bevloeien. Deze vierdeling, vier kwadranten, een padenkruis met vaak een centraal geplaatste bron, vormt het vaste stijlkenmerk van alle kloostertuinen. De rigide uniformiteit danken we aan Karel de Grote, die de uitgangspunten van een tuin in zijn Capitulare de villis haast per decreet vastlegde.

Lievevrouwebedstro

Ook de beplanting van kloostertuinen volgt een vast stramien. De abt van Reichenau, Walafried Strabo, noemde in het jaar 827 in zijn tekst Hortulus vijfentwintig medicinale kruiden. Naast deze nuttige kruiden en planten teelde men bloemen die verwezen naar het leven van Maria. Zo staat de witte lelie voor zuiverheid en reinheid. En de roos, de koningin der bloemen, kende tot de Bijbelse zondeval geen doornen en liet dus zien dat Maria vrij van zonden is. En wat te denken van de mariadistel, de vrouwenmantel of het lievevrouwebedstro.

Maria zelf wordt vaak afgebeeld in een tuin, een hortus conclusus, een omsloten tuin, die weer duidt op de onbevlekte ontvangenis van de heilige Maagd. Het wonder als verklaring voor het onbegrijpelijke. Zo verstond de middeleeuwer zich tot de natuur. Met waardering en toewijding. De kloostertuin en de talloze Mariabloemen vormen daarvan nog steeds de stille getuigen.