Opinie

Luchthartig het einde van de wereld tegemoet treden

Essay Stel dat de klimaatcatastrofe niet meer is af te wenden, wat is dan de beste houding, vraagt zich af.

Foto Lucas Jackson

Mijn eerste ervaring met het einde van de wereld was op een grasveldje langs het spoor in de Leidse Merenwijk. Tijdens het voetballen was er een man op ons afgekomen met de mededeling: „Erg hè, wat er vanavond gaat gebeuren?”

Hoe we meteen doorhadden dat we met een gek van doen hadden, weet ik niet. Zo veel gekken kwamen hier niet. Het zal zijn houding zijn geweest, zijn kleding ook: een dun regenjack waarin de kleuren blauw, rood en vuilgeworden wit evenredig waren vertegenwoordigd. Aan zijn schouder een linnen tas, van de Openbare Bibliotheek, aan rafelige draaglussen.

„Ja, heel erg allemaal”, reageerde een van ons, pesterig bijdehand, „maar ja, wat doe je er aan?” Dat het om Het Einde Van De Wereld ging kon destijds, begin jaren tachtig, zelfs een achtjarige niet ontgaan. Gedoodverfde aanstichters van dat einde waren atoombommen, zure regen en het gat in de ozonlaag. De datum lag in een hypothetische toekomst. De Apocalyps was nog oneindig veel nachtjes slapen weg.

Toch was er een gedachtenexperiment in gang gezet. Wat als het toch waar was? Tenslotte was dit niet zomaar een grasveldje. Een paar jaar eerder waren hier ’s nachts twee treinen op elkaar geklapt. Ik was wakker geschrokken van de klap. Vaders uit de buurt hadden nog geholpen om bebloede gewonden uit de wagons te bevrijden.

Dat een onheilsheraut deze plek uitkoos om te verschijnen in regenjack was niet volledig uit te sluiten. Dus stel: vanavond vergaat de wereld. Moesten we dan gewoon doorgaan met voetballen, The A-Team kijken, om half zes gaan eten (gehaktballen; het was een woensdag), tandenpoetsen en rustig gaan slapen?

De catastrofe is waarschijnlijker

Het filosofisch vraagstuk keerde later geregeld terug en is nu veel dringender dan in 1984. Hoe kunnen onze handelingen betekenis hebben in een wereld die onherroepelijk eindigt? Want vier decennia later is de catastrofe alleen maar waarschijnlijker geworden.

De feiten zijn allemaal overbekend, dus volsta ik hier met wat nieuwtjes uit de laatste maanden. Volgens nieuwe inzichten zal in een halve eeuw de opwarming waarschijnlijk al 3 graden Celsius zijn – maximaal 1,5 graden is de doelstelling van het Klimaatakkoord van Parijs. De ijskap van Groenland is in een waanzinnig tempo aan het smelten. In eigen land zijn tal van soorten met uitsterven bedreigd door opeenvolgende jaren van droogte.

Is het niet allang te laat? Een jaar geleden vroeg Jonathan Franzen het zich in een geruchtmakend essay in The New Yorker af: What if we stopped pretending? Wat als we ophouden met doen alsof we de klimaatcatastrofe nog kunnen afwenden?

Het essay was alleen al verfrissend omdat Franzen het perspectief eens verlegde naar het einde, in onze cultuur die geobsedeerd is met het begin, met initiatieven, impulsen, jeugd, debuten, premières, releases en de alom aanbeden afgod van de start-up: allemaal tekenend voor ons maakbaarheidsgeloof.

De klimaatcrisis dwingt ons opnieuw te erkennen dat er verschijnselen zijn waar we geen invloed op hebben. Dan is het leerzaam om het oude stoïcisme er weer eens op na te slaan. Die filosofische stroming beweert dat je zulke verschijnselen moet accepteren, zelfs juist omarmen.

Zie Marcus Aurelius (121-180 na Chr.), die op elke bladzijde van zijn Overpeinzingen hamert op de eindigheid van alles. Eén van zijn adviezen komt vaak in me op, vooral bij zoiets als het uitruimen van de vaatwasser of in de rij staan bij het Kruidvat: „Verricht iedere handeling alsof het je laatste is, met volle aandacht, zonder mooidoenerij, eigenliefde of ontevredenheid met je deel.”

Moeten we met die mentaliteit ook de klimaatafgrond tegemoet treden? Franzen lijkt ervan uit te gaan dat we oog in oog met het onafwendbare einde spontaan onze energie gaan verleggen naar kleinere, haalbare doelen. Ergens lokaal de biodiversiteit vergroten, één diersoort redden, de lucht schoner krijgen. Het helpt allicht ook ietsjes tegen die hetere toekomst, maar: „Het echt zinvolle is dat het vandáág goed is. Zolang je iets hebt om van te houden, heb je iets om op te hopen.”

Hierin lijkt hij me wat naïef. Het gaf de vele critici van Franzens stuk in elk geval gemakkelijke munitie. Maakt zo’n onvermijdelijke catastrofe niet juist apathisch? En is het geen vrijbrief om – hand in hand met de klimaatontkenners – dan maar op de oude of nog vervuilendere voet door te gaan? Après nous le déluge.

Een warm gevoel van de regenton

Ik vraag me vooral af: is het wel echt ‘stoppen met doen alsof’? Afgelopen zomer stonden Nederlanders massaal in de file voor gratis perenbomen, die door de coronacrisis anders op de brandstapel zouden verdwijnen. Nu slaan ze in tuintjes CO2 op en trekken ze bijen aan. Typisch zo’n voorbeeld van het soort project waar Franzen van houdt – en dat door psychologen wordt aangeraden als therapie tegen klimaatdepressie. Concrete projecten waarvoor je in actie kunt komen. Ik krijg zelf ook altijd een warm gevoel als ik de regenton in de tuin hoor vollopen.

Lees ook Groen herstel? Nederland heeft weinig haast

Het netto-effect op de mondiale ramp is onmeetbaar klein, maar in je achtertuin bloeit een perenboom om van te houden. En het compenseert iets van de barbaarse ontbossing in ons piepkleine landje.

En toch. In het licht van de grote ondergang zijn veel van die projecten een soort Tamagotchi’s, met vooral een therapeutische waarde voor ons verzorgingsinstinct. In feite is hiermee alleen het ‘doen alsof we de klimaatramp kunnen afwenden’ vervangen door een ander ‘doen alsof’, eentje die misschien wat aangenamer of geloofwaardiger aanvoelt.

In een gedoemde wereld zijn je handelingen alleen betekenisvol binnen het narratieve kader dat je zelf hebt opgesteld, binnen het verhaal dat je er zelf bij bedacht. Nu was dat in zekere zin altijd al het geval. Dit is bij uitstek iets voor onze soort. Wij zijn verhalende dieren, die zin toekennen aan levens die één ding werkelijk met elkaar gemeen hebben, en dat is dat ze ten dode zijn opgeschreven.

Foto Ueslei Marcelino/Reuters

Het aantal mensen dat zich bij het besef van de eigen sterfelijkheid, of de ruwe confrontatie daarmee, subiet bekeert tot een levensstijl van schranzen en verkwisting, is maar beperkt. Over het algemeen zal men proberen de dood een stukje verder de toekomst in te duwen, en zo gezond mogelijk gaan leven. En bovenal maakt juist het besef van het vergankelijke van alles vaak dat je gaat investeren in wat uiteindelijk van het wezenlijkste belang schijnt: relaties, leefomgeving, kunst en aanverwante bezielingen.

In die zin kan Franzens boodschap werken. Een deel zal zich gaan richten op zulke kleine, vergankelijke doelen. Een ander deel zal denken: het heeft toch geen zin meer. Maar die groep – bevolkt door klimaatsceptici en ontkenners – zou anders ook niets veranderen, dus kun je maar beter blij zijn met de winst van dat bereidwillige deel, en hopen dat die de rest uiteindelijk inspireert om ook een schoner, diervriendelijker, harmonieuzer hoekje in te richten als tijdelijk en laatste verblijf op een aarde die de afgrond nadert. Met volle aandacht, zonder mooidoenerij, eigenliefde of ontevredenheid met je deel.

Marcus Aurelius had makkelijk praten. Hij had een heel variététeam van goden klaarstaan achter de poort naar een groots hiernamaals. Bij ons is de religie al lang niet meer het dominante verhaal. Wat niet wil zeggen dat wij ons geen illusies meer maken. Wij hebben het verhaal van de vrije markt, van groeiende welvaart zolang we maar afzetmarkten laten groeien en de productie opvoeren.

We leven kortom nog steeds in verhalen, ook al weten we dat niet.

De Duitse denker Philipp Blom publiceerde onlangs een beschouwing, Het grote wereldtoneel, waarin hij de menselijke geschiedenis opvat als een toneelvloer waarin het maatschappelijk leven gevormd wordt door wisselende verhalen. Het was in eerste instantie een opdracht voor de jubilerende Salzburger Festspiele, maar kreeg door de coronapandemie een extra lading, legt Blom uit in een extra slothoofdstuk, waarin hij de parallel legt tussen de pandemie en de aardbeving van Lissabon van 1755. Die was voor Europese denkers de kiem voor het Verlichtingsdenken, dat twijfelde aan het dominante verhaal: hoe kan een almachtige en liefdevolle god zo veel leed toestaan?

Oorlog met de toekomst

Voor ons huidige verhaal, dat waarin de mens centraal staat en superieur is en daarom gelegitimeerd is om grondstoffen uit te putten, komt nu mogelijk ook iets anders in de plaats, waarvoor het nog veel te vroeg is om te weten wat dat kan zijn. Blom schetst alleen wat mogelijke, heel rudimentaire contouren – de mens in een bescheidener rol als onderdeel van een groter ecosysteem. „Het ziet ernaar uit dat we aan het eind van een lang hoofdstuk in de geschiedenis van de mens leven – en aan het begin van een nieuw hoofdstuk.”

Er is altijd een kansje dat er iets slims gevonden wordt om CO2 uit de lucht te toveren

Dat klinkt al wat optimistischer dan Jonathan Franzen. Maar de pagina’s die hieraan voorafgaan zijn allerminst gespeend van doemscenario’s. Blom stelt dat we „in oorlog met de toekomst” zijn. En de winkansen schat ook hij allerminst positief in. „Het probleem is niet dat dit alles intellectueel moeilijk te begrijpen valt. Met eindige middelen is oneindige groei moeilijk te verwezenlijken. Het is veel meer dat het de mensen die de mogelijkheid zouden hebben er iets aan te doen, materieel beter gaat dan ooit tevoren.”

Dat brengt het schrikbeeld dichterbij: miljoenen vluchtelingen in allerlei onleefbare gebieden rond de evenaar, oorlog, geweld, terwijl de natuur verloren gaat. „De draaikolk van die transformatie heeft de potentie alles wat in mondiaal verband als vooruitstrevend en veilig en beschaafd wordt beschouwd, met zich mee te sleuren, te vermorzelen, en de puinhopen weer uit te braken, alsof het een wereldpodium van een postapocalyptisch toneelstuk zonder publiek is.” Dan zijn alle verhalen dus afgelopen.

„Erg hè, wat er vanavond gaat gebeuren?” Zeker, maar ik besloot gewoon om op de normale tijd The A-team te gaan kijken. Ik denk dat ik me domweg geen alternatief kon vóórstellen om die Laatste Avond te vullen. Voor wie net komt kijken, is er geen al te groot verschil tussen iets voor het eerst doen of voor het laatst.

Voor een kind is de wereld onwrikbaar. Hoe willekeurig en bij elkaar geïmproviseerd alles is ontdek je pas als al dat onwrikbare begint te schuiven, en als je zelf ook zo’n bestaan bij elkaar probeert te improviseren.

Dan zie je ook dát we in ficties leven, dat we overal onvermijdelijk op een of andere manier ‘doen alsof’, en dat die verhalen over de wereld gevolgen hebben voor de inrichting en het beheer ervan, en ook dat we dat verhaal gezamenlijk kunnen veranderen.

Of je nu meent dat de totale vernietiging van onze planeet ophanden is, of dat er een nieuw hoofdstuk begint, in beide gevallen komt het neer op een sprong in het ongewisse, waarbij de bestaande orde en de vertrouwde verhalen geen houvast meer bieden.

Wat ervoor in de plaats komt is onvermijdelijk nog aftastend, voorlopig, provisorisch. Als je eenmaal inziet hoe provisorisch en relatief ons dominante verhaal is geweest, weet je ook dat elk vervangend verhaal iets relatiefs heeft. Maar je kunt ook weer niet helemaal zonder zulke zingevende kaders. We kunnen niet leven met betekenisloosheid. Het verschil is alleen dat we vanaf nu wéten dat we ‘doen alsof’.

Ontmoedigd noch overmoedig

Luchthartig, lichtvoetig, dat is misschien het woord. Je weet dat niets blijvend, sluitend of absoluut is, maar accepteert het voor zolang het duurt, bij gebrek aan beter. Als ik zelf geconfronteerd word met een lastige taak, denk ik altijd aan een advies uit het Handorakel van de Spaanse moralist Baltasar Gracián (1601-1658): vat het moeilijke op alsof het iets gemakkelijks is, en het gemakkelijke alsof het iets moeilijks is. Het is dezelfde houding. Lichtvoetig, luchthartig doen alsof. Zo raak je noch ontmoedigd noch overmoedig. Een boek schrijven kan een zwaar, verlammend vooruitzicht zijn, maar één sterke alinea? Dat moet haalbaar zijn.

Zo is het ook een beetje met de klimaatcatastrofe. En er is nog altijd een kansje dat er toch iets slims gevonden wordt om CO2 uit de lucht te toveren, een onverwacht succesvol medicijn voor een patiënt die iedereen al opgegeven had. Dat hij zich intussen op kleinere doelen was gaan richten – gestopt is met roken en geïnvesteerd heeft in hechtere relaties – is dan alleen maar mooi meegenomen.

En zo niet? Ach ja, dan sterft onze soort uit. Dat is ook weer niet het einde van de wereld.