Reportage

Laat de zwarte Le Corbusier opstaan

Wereldkunst #11 In de huidige artistieke revolutie lijkt in musea het werk van zwarte kunstenaars vaak gereduceerd tot ‘het tonen van zwarte mensen’. Aandacht voor kunst zonder deze versimpeling is dringend nodig.

Interieur van de Notre Dame du Haut .
Interieur van de Notre Dame du Haut . Foto Sebastien Bozon/ AFP

Deze zomer was ik voor de tweede keer in Le Corbusiers Notre Dame du Haut in Ronchamp in Frankrijk. Het is een van de mooiste plekken die ik ken. De kleine kerk ligt op een nietig groen heuveltje, en gaat daar op een wonderlijke manier op in het landschap. De grillige witte buitenmuren geven licht als een vuurtoren, het bollige, donkergrijze dak plooit zich daar moederlijk overheen, alsof het van binnenuit is opgepompt om de witheid bij de natuur te betrekken.

Van binnen is het gebouw een subtiel spel van contrasten: geen kunstlicht, waardoor het er nadrukkelijk schemerig is. Maar daardoor lijken de lichtbundels, die via onregelmatig geplaatste, minuscule ramen naar binnen priemen, extra krachtig, als op een schilderij van Robert Campin. Die bundels benadrukken bovendien de rechte lijnen in Le Corbusiers ontwerp, de biechtstoelen, het altaar, maar omdat de muren zijn bespoten met een ruwe laag mortel, krijgt het geheel ook iets van een mysterieuze grot. Het allermooiste zijn de drie kapellen: die zijn van boven open, als lichtschachten, waardoor zacht licht naar beneden vloeit, stroomt, over de rulle muren. Een van de kapellen is rood als oud bloed. Pure abstractie, waarin licht en ruimte en kleur elkaar zo versterken dat je het gevoel krijgt heel ver boven het alledaagse te worden opgetild. Alsof je geest zweeft. Tranen in mijn ogen. Geschenk uit de hemel.

Wist u trouwens dat Le Corbusier een fascist was?

Dat idee maakte dit bezoek, nou ja, anders. Tijdens mijn eerste visite, in 2003, zag ik alleen schoonheid. Maar toen verschenen er in 2015, nota bene ter gelegenheid van Le Corbusiers vijftigste sterfdag, diverse boeken en artikelen waarin de grote vernieuwer wordt neergezet als een artistieke dictator. Dat mensen, individuen in zijn wereld altijd op de tweede plaats kwamen en dat al zijn ontwerpen ten dienste stonden van zijn Grootse Visie en zijn Hogere Doel, was op zichzelf al wel bekend. Maar nu werd uit nieuw onderzoek duidelijk dat Le Corbusier óók korte tijd lid was geweest van een fascistische splintergroep en zich herhaaldelijk laatdunkend over joden had uitgelaten. Waardoor de beroemde opmerking van Albert Speer, Hitlers architect, die Le Corbusiers ontwerp voor de nieuwe miljoenenstad Ville Radieuse „onmenselijk” vond ineens in een heel ander licht kwam te staan – en had Le Corbusier zich vanaf de jaren twintig ook niet bij elke beschikbare (semi)-dictator (Mussolini, Stalin, Pétain) proberen in te likken om zijn ontwerpen gerealiseerd te krijgen? Macht, beheersing, daar draaide het om in zijn oeuvre.

Notre Dame du Haut (1955) van Le Corbusier op een heuveltje in de Vogezen. Foto AFP

En nu, terug in Ronchamp, besefte ik dat dit ook gold voor de Notre Dame du Haut. Alleen heet zijn machtsinstrument hier schoonheid en valt de manipulatie nauwelijks op doordat Le Corbusier in propagandistisch opzicht heeft gefaald: de schoonheid van de Notre Dame du Haut is zo abstract dat je nauwelijks aan het christendom denkt, eerder aan de modernistische abstractie van Mark Rothko of Anish Kapoor of James Turrell. Het maakt de zaak alleen maar ingewikkelder: hoe verleidelijk het ook is om Le Corbusier af te doen als een slecht mens, je kunt evengoed volhouden dat de unieke schoonheid van de Notre Dame du Haut voortkwam uit diezelfde slechtheid. Wat moet je daar nu van denken?

Jurassic Park

Iets soortgelijks gebeurde enkele dagen later toen ik in Avignon met een vriend de Collection Lambert bezocht. Dit museum is opgericht door de beroemde Franse galeriehouder Yvon Lambert, die in 2000 meer dan 500 werken uit zijn collectie schonk aan de Franse staat. Daar kreeg hij dit museum voor terug, gevestigd in een prachtig 18de-eeuws paleis. Daar is nu de jubileumtentoonstelling te zien, vol heel oude bekenden: Donald Judd, Sol LeWitt, Daniel Buren, Cy Twombly, Richard Tuttle, Lawrence Weiner, Niele Toroni, Robert Ryman – het was alsof we in een tijdcapsule waren gestapt. Geen enkele zwarte kunstenaar, geen engagement en één vrouw, Nan Goldin, die daar ongegeneerd de vrouwelijke emotionaliteit hangt te vertegenwoordigen. Alle andere werken zijn of sober of wit of minimaal of alles tegelijk. Daarmee representeren ze in de eerste plaats de artistieke revolutie van het einde van de jaren zestig: kunst die afstand wilde nemen van het grote gebaar, van de kunstenaar als schildermacho, van het kunstwerk dat een ‘verhandelbaar object’ werd – LeWitt en Judd en Weiner en Buren wilden weg van de oude mechanismen, weg van de oude machten; kunst voor kunst was hun streven. Maar langzaam kwamen daar, net als bij Le Corbusier, andere betekenissen bij. De soberheid en knisperende leegte werd ook het symbool van kunst die zich zonder enige repercussies volledig in zichzelf terugtrok. En daarmee ondertussen wel macht en geld en status verwierf, zoveel dat ze helemaal in zichzelf ging geloven – en met hen, zo goed als de hele kunstwereld. Daarom was het ook zo opvallend hoe snel ze nu richting marge van de geschiedenis werden gedirigeerd, hoe snel de nieuwe ontwikkelingen, de nieuwe ideeën het roer overnamen – „welkom in Jurassic Park”, mompelde ik. Maar daarop kwam mijn vriend in opstand. „Je moet het verleden niet zomaar afschrijven”, sprak hij wijs. „Dit werk heeft nog steeds betekenis, je moet kunst altijd de kans geven mee te veranderen met de tijd.” Daar had hij natuurlijk gelijk in: zoals ik zelf Le Corbusier niet louter als fascist wenste te beschouwen (want ik hou te veel van de Notre Dame) was het ook niet eerlijk deze werken ineens op een zijspoor te rangeren op basis van één criterium – die andere criteria waren toch niet plotseling verdwenen?

Toch is dat natuurlijk wel wat je op dit moment voortdurend ziet gebeuren – we leven in een artistieke revolutie en daar vallen soms stevige klappen. Er is vaak beweerd dat er sinds de jaren zestig geen avant-gardes meer bestaan en in de oude betekenis van het woord klopt dat ook: er vinden in de kunst geen radicale veranderingen van binnenuit meer plaats. Nu komt de revolutie van buitenaf – we hadden al jaren de toenemende invloed van de markt, daar kwam eerst de roep bij om kunst die zich engageert met de maatschappij, en recenter het verlangen om de kunstwereld véél minder wit te maken.

Weg met…?

In al die processen verkeren we nu in dezelfde fase als in het midden van de jaren zestig: we zitten in een transitieperiode waarin dingen worden benoemd, op scherp gesteld, en bijgestuurd – en dus: weg met de oude witte mannen, weg met de in zichzelf gekeerde kunst, meer maatschappelijke betrokkenheid, een nieuwe verhouding tot de wereld. Dit is een geweldig opwindende fase, (ja daar leeft u in, beseft u dat?), maar omdat er véél tegelijk gebeurt ligt er, vanuit een begrijpelijk verlangen naar overzicht, ook versimpeling op de loer. Bijvoorbeeld door de kunst van de voormalige witte machthebbers in één zwaai als passé af te doen – waarmee ook hun oorspronkelijke revolutionaire elan vergeten dreigt te worden. Het gevolg is dat kunst steeds vaker eendimensionaal wordt geframed, meestal volgens niet-artistieke criteria.

Laat de witte kunstwereld de emancipatiefase snel achter zich laten

Dat zie je aan al die diepsaaie video-installaties, die louter door hun engagement worden gerechtvaardigd (nee, ik ga geen voorbeelden geven, u herkent ze wel). Maar je ziet het ook gebeuren in de manier waarop zwarte kunstenaars op dit moment in witte musea en collecties worden binnengehaald: alsof ze voortdurend hun eigen zwartheid moeten bewijzen. Natuurlijk zit daar een positieve kant aan: witte toeschouwers weten meestal veel te weinig van de zwarte cultuur, van de geschiedenis en de beeldtaal, en dus kan het bepaald geen kwaad om daar eens flink mee om de ogen te worden geslagen. Tegelijk dreigt daarbij het gevaar van versimpeling: let maar eens op hoe vaak, vooral in de schilderkunst, het werk van zwarte kunstenaars wordt teruggebracht tot ‘het tonen van zwarte mensen’. Dat is goed voor de genoemde ‘gewenning’ natuurlijk, en levert gelukkig ook aandacht op voor fantastische schilders als Kerry James Marshall, Lynette Yiadom-Boakye en Njideka Akunyili Crosby. Maar er zit ook iets plats in: alsof de witte instituties en witte toeschouwers voortdurend willen laten zien dat ze zich wel degelijk met zwarte kunstenaars omringen – kijk maar, daar hangen ze toch? Het zal, zoals gezegd, de fase in het emancipatieproces wel zijn, maar het lijkt me cruciaal dat we ook heel snel veel meer oog krijgen voor zwarte kunstenaars die zich (deels) aan deze framing onttrekken – kunstenaars als Otobong Nkanga, Frank Bowling, Alvaro Barrington, en natuurlijk Steve McQueen.

Laat, kortom, de witte kunstwereld de emancipatiefase snel achter zich laten en het werk van zwarte kunstenaars de ruimte bieden om net zo vol te lopen met betekenis en rijkdom en complicatie als alle andere kunst. Zodat er in de volle rijkdom over kan worden gepraat, het ‘gewoon’ kan worden bekritiseerd (nu loopt iedereen nog te vaak op eieren), maar ook zodat het vervolgens veel meer impact op de maatschappij kan hebben dan witte kunst ooit heeft gehad – wat je zelfs al ziet gebeuren. Om eerlijk te zijn kan ik niet wachten tot er een zwarte Le Corbusier opstaat, vanzelfsprekend graag zonder het fascisme, maar wel met diezelfde gretige, ongegeneerde kracht en ambitie om de wereld naar zijn of haar hand te zetten. Of misschien is die er al, en zijn we juist door de beperkte blik nog niet in staat hem of haar te herkennen. Nieuwe spanning. Nieuwe betekenis. Wie weet wat voor schoonheid er dan opduikt.

Dit najaar vinden er verschillende tentoonstellingen rond dit thema plaats, waaronder Say it Loud, vanaf 27 september in het Bonnefantenmuseum, Maastricht en Living, Forgiving, Remembering vanaf 2 oktober in Museum Arnhem, locatie Kerk.