Foto Frank Ruiter

Interview

‘Ik liep dertig jaar achter, die tijd moest ik inhalen’

Lunchinterview Frank Tromp de Haas (90) ziet zijn jeugddroom eindelijk uitkomen: hij is kunstenaar, heeft een boek, en een tentoonstelling op Art Eindhoven. „Het werk moest de wereld in.”

Hij wilde niet te laat komen en daarom, zegt Frank Tromp de Haas (90), is hij ruim op tijd van huis vertrokken. Hij woont, schildert, aquarelleert, etst, tekent en beeldhouwt op twee bovenetages aan het Vondelpark in Amsterdam. Twee trappen af, met de traplift. Gang door, met stok, fiets in het portaal omkeren en vervolgens – dwars door de binnenstad – fietsen naar grand café Wildschut. Behendig ontdoet hij zich daar – met z’n rechterhand – van jas en linnen boodschappentas. Dan monstert hij zijn omgeving – met z’n linkeroog – en zegt: „Mooi, dat zonlicht zo op tafel.”

Niet veel later arriveert Froukje Holtrop (50), kunsthistoricus. Zij heeft, als eerste ooit, alle kunstwerken van Frank Tromp de Haas geïnventariseerd, beoordeeld en beschreven. Daar begon ze twee jaar geleden mee, na bemiddeling door de buurvrouw van Frank Tromp de Haas, die de zeggingskracht van zijn kunst zag, maar ook zijn onvermogen er aandacht voor te vragen. „Het werk moest de wereld in”, zegt Froukje Holtrop. „Dat wil Frank ook graag.” Nee, tempert ze meteen de verwachtingen. Ze heeft geen onontdekt genie aangetroffen. Wel een zeer getalenteerd kunstenaar met de levenslange drang zich via kunst te uiten, ondanks fysieke beperkingen en praktische bezwaren, en die zijn beste vorm vond ná zijn zeventigste. Als het aan Frank had gelegen was haar boek De schoonheid van de nieuwe dag alleen over zijn werk gegaan en niet over hém. Maar zij vond de mens minstens zo interessant als zijn kunst.

Voelt hij zich nu een echte kunstenaar? ‘Ja, ik geloof het wel hè?’

Bij Frank Tromp de Haas lijkt de geest nu uit de fles. Hij meldde zich zelf aan voor Art Eindhoven dit weekeinde, en kreeg meteen een eigen stand. Spannend, dat onbekende ogen straks zijn werk zien? Hij lacht jongensachtig en knikt van ja. Voelt hij zich nu eindelijk echt kunstenaar? „Ja, ik geloof het wel hè?” Wanneer bén je dan een echte kunstenaar? De vraag was meer in het algemeen dan aan hem gesteld, maar hij weet het antwoord precies. Tellend op de vingers van zijn hand: „Er zijn drie criteria. De hoeveelheid tijd die je eraan besteedt. Of je ervan kan leven. En hoe bekend je bent.”

Wat het eerste betreft, het aantal uren dat je erin steekt, zit het wel goed. Tekenen deed hij als kind al in Sukabumi, Indonesië. Zijn vader was er theeplanter, zijn moeder verpleegster. Serieus werd het toen hij na de oorlog gerepatrieerd werd naar Nederland – met zijn moeder en twee broers – en in 1948 tekenles ging volgen bij Henri F. Boot, destijds de voorman van de Haarlemse kunstwereld, met leerlingen die later bekende kunstenaars zouden worden: Otto B. de Kat. Kees Verwey. Anton Heyboer. De namen van toen zetten zijn geheugen in gang: „Anton Heyboer woonde op een soort mestvaalt en at beschimmelde chocoladerepen. Zijn etsplaten zaagde hij uit de dakgoot.” Anderen woonden in onbewoonbaar verklaarde huizen. „Emmers onder het lekkende dak. Klompen met stro.” Wat je wil vertellen, zegt Froukje Holtrop, is dat je toen zag dat kunstenaars het heel arm hadden. Ja, zegt hij: „Ik dacht: oei.” Criterium twee, geld verdienen met kunst, zou wel eens heel moeilijk kunnen worden, begreep hij. Hij had na de „bewogen” eerste twintig jaar van zijn leven, waarin hij nergens langer dan twee jaar kon blijven, behoefte aan bestaanszekerheid.

‘Opereren, opereren, opereren’

En, helpt Froukje, je had heel goede cijfers op de Indische hbs. Ja, knikt hij, blij dat ze precies de goede woorden uit zijn hoofd haalt. „Ik kreeg een renteloos voorschot van het ministerie van onderwijs.” Twee keer 900 gulden per jaar, waarmee hij stedebouwkundig ontwerpen kon studeren in Delft. Een vak dat nog de meeste raakvlakken had met kunst. „Portret tekenen, perspectief, boetseren.” Als hij op papier een gebouw ontwierp, moest al het te gebruiken materiaal natuurgetrouw worden nagetekend. De vezels van de vloerbedekking, de stof van de gordijnen, de blaadjes van de bomen voor de deur.

Om de haverklap moest hij zijn studie afbreken, zegt hij. „Opereren, opereren, opereren.” En daarna: „Kuren of een half jaar in de tuin liggen.” Maar uiteindelijk: „Toch een extractie van dat oog.” Er zat nog een scherf in. Hij was 11 of 12 toen hij in de tuin getroffen werd door een bombardement waarbij hij ook zijn hand verloor, het moet ergens gebeurd zijn in de eerste maanden van 1942 – ná de Japanse invasie van Nederlands-Indië, maar vlak vóór hij in zijn eentje op transport ging, 500 kilometer bij zijn moeder vandaan, naar het mannenkamp.

De borden worden op tafel gezet, een broodje geitenkaas voor hem. Hij klikt zijn mes in de ijzeren tang die zijn linkerhand is. Zijn eerste prothese kreeg hij, zegt hij, toen hij na de oorlog zes maanden in Nieuw-Zeeland verbleef om aan te sterken. „Een leren koker met een zeerovershaak.” Hij grinnikt. „Ichi, ni, san, shi, go..” Hij telt, zegt Froukje Holtrop. In het Japans. Hij is weer even in het kamp. „Je moest op een rij staan en je nummer onthouden, ’s ochtends bij het appèl. Zei die commandant: jongen, haal die hand uit je broekzak.” Korte lach. „Stond ik met die stomp.” En meteen begint hij over hoe schitterend het uitzicht was als je in het kamp op de heuvel stond. Nee, schudt hij. Hij heeft daar niet getekend. „Ik hield wel een dagboekje bij. Maar toen ik dat teruglas, ging het alleen maar over eten.” De prothese die hij nu heeft, dateert uit de jaren vijftig of zestig. Ongetwijfeld bestaan er modernere modellen, maar deze voldoet uitstekend. Hij schroeft de haak eraf: „Kijk, zo kan er een beitel in.”

Opgeschort kunstenaarschap

Vraag hem naar zijn werk en hij begint over zijn collega’s bij de Amsterdamse afdeling stadsontwikkeling. Details over hun spitsvondigheid en hún talenten gaan over tafel. „We waren een team”, zegt hij. Ze maakten de ontwerpen voor de Bijlmermeer, destijds het paradepaardje van de gemeente, en saneerden de verloederde Jordaan. Schitterend werk.

Maar hoe zat het met die ándere Frank? De Frank die kunstenaar had willen worden. O, zegt hij, verrast dat het weer over hem gaat: „Ja, als je ’s ochtends door de stad liep, en je zag die prachtige blauwe lucht, hoe de zon op de gevels scheen…” Dan wilde hij dat schilderen? „Jaaah. Maar ja, je moest naar kantoor.” De avonden, de weekenden, dan had hij tijd om te schilderen. Of op vakanties naar Drenthe, met ezel, krukje en tent achterop de fiets.

Wat zich aandiende als rampjaar, 1983, zou een ommekeer betekenen. Zijn moeder overleed, een zeer gewaardeerde collega ook, en een andere collega vertrok vervroegd met pensioen, gebruikmakend van de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers. Frank besluit een beroep te doen op dezelfde wet. Hij was 53, dit was zijn kans om aan zijn „opgeschorte kunstenaarschap” te beginnen. Haastig stortte hij zich op nieuwe technieken, materialen en onderwerpen. Voor een langdurige relatie, met man of vrouw, gunde hij zichzelf geen tijd. Al zijn uren besteedde hij aan het inhalen van de dertig jaar die hij voor zijn gevoel achterliep.

Als oudere kunstenaar kom je er nauwelijks tussen bij de galeries, dat wist hij wel. Hij heeft pogingen gedaan zijn werk te slijten, maar nooit doorgepakt, hij hoefde er tenslotte niet van te leven. Dat betekent wel dat hij niet voldoet aan zijn eigen criterium drie, bekendheid. Froukje Holtrop heeft een andere definitie van het kunstenaarschap. Zij zegt: „Een kunstenaar bén je, los van of je er geld of roem mee verwerft.” Ja, zegt hij. „Ja!” Je bent kunstenaar, zegt zij, als je de innerlijke noodzaak voelt om iets mede te delen. „Precies”, echoot hij. Dus is de vraag: wat wil hij via zijn kunst vertellen? Hij: „Dat de wereld mooi is?” Is dat zo? Hij heeft vast ook veel lelijks gezien. Hij lacht alsof hij een grapje hoort. „Dat is wel zo, inderdaad.”

Paadje naar de duisternis

De stillevens, de portretten, de landschappen, gaan die over wat hij ziet of over wat hij voelt? „Haha, zien of voelen, leuke vraag”, zegt hij. Maar antwoord geven, ho maar. Froukje Holtrop schiet te hulp. Zij zegt dat ze bij hem een ontwikkeling ziet van impressionist naar expressionist. „Jarenlang is hij aan het leren, leren, leren. Techniek, techniek, techniek.” En dan, als hij de zeventig voorbij is, begint hij ineens te verbeelden wat er in hem omgaat. „De afbeelding, het plaatje is misschien minder mooi, maar daar gebeurt iets interessants, iets dat het tot kunst maakt.” Nu kun je hem proberen te vragen wat er in hem omgaat als hij dat maakt. Dan zegt hij dat „je nachtmerries hebt hè”, en dat „vroeger soms helderder is dan het nu”. Maar snel verlaat hij dit paadje naar de duisternis en zegt dat het beter is het verleden te vergeven.

Hoopt hij, met het boek en de tentoonstelling in Eindhoven, op erkenning? „Ik geloof van wel.” Hij kijkt naar Froukje. Zij zegt: „Je wil dat je werk wordt gezien. Het is jouw expressie, jouw verlengstuk.” Ze pakt haar telefoon, om de mail voor te lezen die Franks oudere broer Jan van 92 hem schreef nadat hij het boek over hem las. Hij is, net als hun jongste broer, zeventig jaar geleden naar Nieuw-Zeeland vertrokken. We mailen elkaar, zegt Frank, eens per jaar. „Beste broertje Frank”, begint de brief. „(…) Het boek heeft mij een schok gegeven waar ik dagenlang aan heb moeten wennen. Ik begon te lezen. Bladzijde na bladzijde. De gedachte kwam bij me op dat het zo jammer was dat mijn oude moeder dit niet meer heeft mogen meemaken. Wat zou ze trots zijn op deze zoon die het zo ver heeft gebracht in de wereld van de kunst alsmede een betitelde loopbaan.” Haha, lacht Frank. Die Jan. „Echt een gevoelsmens. Zó emotioneel.”