Hoe sneller een boom groeit, hoe eerder hij doodgaat

Ecologie Een oude wijsheid onder bosbouwers luidt: „Hardlopers zijn doodlopers.” Dat is nu bevestigd met onderzoek.

De zwarte spar (Picea mariana) groeit in Alaska. Bij deze boom was de relatie tussen groeisnelheid en levensduur al eerder aangetoond.
De zwarte spar (Picea mariana) groeit in Alaska. Bij deze boom was de relatie tussen groeisnelheid en levensduur al eerder aangetoond. Foto iStock

Hoe sneller bomen in hun jeugd groeien, hoe eerder ze sterven. Dat hebben onderzoekers aangetoond in een groot onderzoek onder 82 soorten bomen over de hele wereld. Van sommige soorten, zoals de zwarte spar, was die relatie tussen groeisnelheid en levensduur al aangetoond, maar het deze week in Nature Communications gepubliceerde onderzoek laat zien dat het om een in de bomenwereld algemeen geldend principe gaat. De bevindingen hebben mogelijk gevolgen voor klimaatmodellen, en ons begrip over de mate waarin bomen koolstof kunnen vastleggen.

„Bomen werken dus anders dan dieren”, licht bosecoloog Roel Brienen toe. Hij is eerste auteur van het artikel en verbonden aan de universiteit van Leeds. „Dieren hebben een maximale leeftijd, bomen een maximale grootte, zo lijkt nu. Hoe sneller ze die grootte bereiken, hoe eerder ze doodgaan.”

Voor hun onderzoek maakten de ecologen gebruik van bestaande databanken voor boomringonderzoek, waarvan de International Tree-Ring Data Bank de belangrijkste is. Bij een doorgezaagde boomstam is aan de breedte van de opeenvolgende ringen af te lezen hoe snel een boom jaarlijks is gegroeid – één ring staat voor één jaar.

210.000 individuele bomen

De onderzoekers begonnen met gegevens van 210.000 individuele bomen, verdeeld over 110 soorten, uit verschillende klimaatzones en ecosystemen, van de tropen tot de polen, en van dichtbeboste tot open gebieden. Sommige soorten vielen af, omdat er van te weinig bomen per plek, of van te weinig plekken over de wereld, gegevens waren. Van 82 soorten voldeden de data aan alle voorwaarden. Bij 74 ervan bleek er een duidelijke „anticorrelatie” tussen snelle groei in de jeugd en levensduur.

Als snelgroeiende soorten noemt Brienen bijvoorbeeld populier en berk. „Die worden meestal niet veel ouder dan een jaar of tachtig.” Een snelgroeiende tropische soort is bijvoorbeeld de balsaboom, die niet ouder wordt dan veertig jaar. „Hij kan in zeven jaar een diameter van 30 centimeter bereiken.” Langzaamgroeiende soorten zijn bijvoorbeeld eik en beuk. „Die kunnen volgens onze databank 600 jaar worden”, zegt Brienen. Hij noemt ook nog de conifeer Pinus longaeva. „Die groeit minder dan een halve millimeter per jaar. Deze soort kan 5.000 jaar oud worden.”

Gert-Jan Nabuurs, hoogleraar Europese bossen bij Wageningen University & Research, en niet bij deze studie betrokken, noemt het onderzoek „een mooie analyse van de jaarringdatabase”. Het bevestigt volgens hem een oude bosbeheerderswijsheid: „Hardlopers zijn doodlopers.”

Voor de relatie tussen groeisnelheid en levensduur geven de onderzoekers in hun artikel verschillende verklaringen. Misschien, zegt Brienen, investeren snelgroeiende bomen minder in weerstand tegen insecten of droogte. Dit vraagt om verder onderzoek.

Ze wijzen er verder op dat klimaatmodellen nu te weinig rekening houden met de trade-off tussen groeisnelheid en levensduur, en daardoor te optimistisch zijn over de mate waarin bossen koolstof kunnen vastleggen.