Je eigen doodskist timmeren, waarom niet?

Doodskisten In het buitenland zijn zogenoemde ‘coffin clubs’ populair. Daar bouwen mensen aan hun eigen grafkist.

Foto Katie Williams

De eerste grafkist die Ron Wattam (78) voor zichzelf bouwde, verfde hij lichtbruin. Sandelbruin, zoals ze dat volgens de gepensioneerde Nieuw-Zeelander noemen. Wattam bouwde het ding in zijn eigen garage, maar nam hem mee naar de werkruimte van de coffin club van Rotorua, een stad op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland, om toch nog een aanpassing te maken aan de deksel. „Iemand liep binnen en zei, ‘Dat vind ik een mooie kist’.” Dus hij verkocht hem. „Gewoon marktwaarde. Hij was ongebruikt”, zegt hij grinnikend.

Zijn tweede was lichtgroen en had een verhoogd deksel. „Dat geeft wat finesse.” Ook daar ging een ander mee aan de haal.

Aan zijn derde doodskist begon Wattam onlangs. De onderkant is al op maat gezaagd, de rest moet nog gedaan worden. Het is misschien een wat macabere dagbesteding, maar door een eigen uitvaartkist te maken, bespaart Wattam veel geld. Een doodskist kopen bij de uitvaartondernemer is „vreselijk duur”, zegt de voormalig tuinbouwer, monteur en transporteur. Zelf maakt hij de kist voor een derde van het geld. „Helemaal afgewerkt, geverfd en gevoerd.”

Wattam is lid van de Kiwi Coffin Club, Nieuw-Zeelands eerste club waar veelal ouderen samenkomen om hun eigen uitvaartkist te timmeren, of te werken aan gepersonaliseerde kisten voor mensen niet meer in staat zijn om ze zelf te maken. De club is internationaal een trendsetter gebleken: naast de ten minste vier coffin clubs in Nieuw-Zeeland is het fenomeen inmiddels ook overgewaaid naar de Verenigde Staten, Australië en het Verenigd Koninkrijk, dat er al negen telt.

Wattam klust inmiddels al zes jaar bij de club, elke woensdag. Hij bouwt nog steeds aan zijn eigen kist, maar helpt als vrijwilliger nu vooral anderen. Hij geniet van de kameraadschap op de werkplaats. „Ik kom op het einde kijken, zet de handvatten erop en doe een kwaliteitscheck,” zegt hij.

De club werd in 2010 opgericht door voormalig palliatief verpleegkundige Katie Williams (81). Ze weet nog altijd niet goed wat haar bezielde toen ze, tijdens een bijeenkomst over studie- en hobbygroepjes voor ouderen, opstond en zei dat ze haar eigen doodskist wilde maken. „Het floepte er gewoon uit.” Ze bleek niet de enige met die wens. Met een aantal kennissen ging ze aan de slag in haar eigen garage. Niet lang daarna verhuisde de club naar een grotere werkplaats waar inmiddels al honderden mensen aan hun eigen kist hebben geklust.

Foto Katie Williams
Foto Katie Williams
Foto Katie Williams
Leden van de Kiwi Coffin Club.
Foto’s Katie Williams

De lage kosten die Wattam zo aanstonden, spelen zeker een rol in het succes van de club, zegt Williams. Een complete kist maak je volgens haar vanaf 450 Nieuw-Zeelandse dollars (ongeveer 250 euro): „Cheap and extremely cheerful.” Toch gaat het haar er vooral om dat mensen eindigen in een kist die past bij hun persoonlijkheid. „Na iemands overlijden kan er druk ontstaan op nabestaanden vanuit de uitvaartindustrie: ‘Hield je van je moeder? Dan gun je haar vast deze (luxe) kist.’ Maar misschien was die vrouw wel helemaal niet het type voor mahoniehout met gouden accenten.”

Skelterkist

Een kist kan iemands verhaal vertellen, legt Williams uit. In tien jaar tijd heeft ze flink wat excentrieke voorbeelden voorbij zien komen. Zo was er een man die graag een kist in de vorm van een skelter wilde, inclusief wielen die erop geschroefd werden. Zelf was hij al te ziek om nog te klussen. „Hij wilde een zilveren grille. Hij hield erg van camouflageprint dus dat schilderden we op de deksel. Hij ging eruit in stijl”, zegt Williams.

Er was de Elvis-fan, die haar hele kist beplakte met foto’s van The King. Aan de binnenkant van de deksel een levensgrote foto van haar idool. „Die ligt straks tot in den eeuwigheid boven op haar”, gniffelt Williams.

Dat de coffin clubs populair zijn in een aantal landen kan Saskia Teunissen wel begrijpen. Zij is hoogleraar palliatieve zorg, verbonden aan het Expertisecentrum Palliatieve Zorg UMC Utrecht. „Vanaf het moment dat mensen weten dat ze een ongeneeslijke ziekte hebben, gaan ze nadenken over hun dood. Dat nadenken gaat vaak gepaard met beelden. Daarbij komen ook gedachten naar voren over hoe ze straks in die kist liggen. Als mensen zoveel mogelijk van die vraagtekens kunnen weghalen, kan dat rust en ruimte geven,” zegt ze.

Nuchterheid

Het belang van dat beeld – hoe iemand sterft en er na zijn overlijden bij ligt – raakt volgens Teunissen „heel erg aan persoonlijke integriteit”. Mensen zien er tijdens het sterfproces vaak slecht uit, zegt ze. „Een universele wens van mensen is er na het overlijden weer zo veel mogelijk uit te zien zoals ze waren voor de ziekte en voor de dood. Daar kan zo’n kist op aansluiten.”

„De dood omarmen als je volop in het leven staat, ik geloof dat dat ons heelt,” zegt Susanne Duijvestein. Ze is zelfstandig begrafenisondernemer en organiseert in Amsterdam namens kunstinstelling Mediamatic workshops voor het maken van lijkwaden. Dat zijn doeken waarin een lichaam gewikkeld kan worden na het overlijden – in plaats van een kist. Duurzamer, zegt ze, „in de zin dat er geen boom hoeft te worden gekapt”. Coffin clubs zijn nog niet naar Nederland komen overwaaien, maar volgens haar is dat een kwestie van initiatief. „Met onze typische nuchterheid” leent Nederland zich er volgens haar best voor.

Foto Katie Williams
Foto Katie Williams
Leden van de Kiwi Coffin Club met hun kisten.
Foto’s Katie Williams

Teunissen benadrukt dat er, naast eigengemaakte kisten, veel vormen zijn om een persoonlijke invulling te geven aan het eigen overlijden en de uitvaart. Zelf deed ze onderzoek naar het in hospices bespreekbaar maken van de houding waarin iemand zou willen overlijden. Iets wat volgens haar nog meer raakt aan de kern van iemands persoonlijkheid dan een kist. „Het belangrijkste is dat je de persoon die sterft het vertrouwen geeft dat er niks raar is aan zijn wensen. Keuzes hoeven bij niemand meer in de smaak te vallen.”

Acceptatie

Williams’ club in Rotorua vervult inmiddels een belangrijke rol in het sociale leven van een aantal van de ouderen, die na het afronden van hun kist zijn blijven plakken. „Het is hun wekelijkse uitje. Een plek waar mensen zich geliefd voelen en waar ruimte is om te praten over sterven en de dood”, zegt ze. „Het helpt mensen dit gegeven te accepteren. Je neemt het onderwerp in eigen hand.”

Ook Ron Wattam is hier nog elke woensdag te vinden. De onderkant van zijn derde kist ligt klaar. Hij gaat deze keer niet voor een rechthoek, maar voor het populaire taps toelopende model. Over de kleur is hij nog niet uit. Wel dat hij er paradijsvogelbloemen op wil schilderen. „Daar heb ik iets mee.”

In het begin kon het werk soms emotioneel zijn, zegt Wattam. Nu voelt het als een normale werkdag: „Ik heb al zoveel kisten gemaakt, ik ben inmiddels in harmonie met de dood. We weten allemaal dat het moet gebeuren, de vraag is alleen wanneer.” Hij voegt toe: „Persoonlijk hoop ik op een stevige hartaanval.”