Opinie

Heimpret

Ellen Deckwitz

Zondagavond kwamen mijn zus en ik bij onze oudoom Karel (106) op de cola aangezien hij een kleine verrassing voor ons had. „Want tijdens het opruimen vond ik dit”, zei hij, en viste een kiekje uit zijn borstzak. Het bleek een foto van mijn zus van toen ze dertien was: een en al ledematen, paarse mascara en beugelelastieken. Ze streelde de afbeelding.

„Grappig”, zei ze, „ik heb mijn gehele volwassen leven zo’n heimwee gehad naar die periode tussen mijn vierde en veertiende. Toen het leven nog zo veilig leek. Eigenlijk is het doodzonde dat ik nog steeds naar dat decennium terugverlang. Het ligt inmiddels meer dan twintig jaar achter me.”

„Je hebt er dus inmiddels al langer heimwee naar dan dat die hele periode heeft geduurd”, zei ik. Van schrik verscheurde mijn zus bijna de foto.

„Wat zonde van mijn tijd!” zei ze.

„Ik verlangde tot mijn dertigste enorm naar vroeger”, zei oom Karel, „tot ik besefte dat dat nergens op sloeg want je kon toch niet terug. En toen besloot ik om voortaan te doen alsof ik eigenlijk uit de verre toekomst kwam en opeens mijn jongere zelf was. Dan is je leven opeens leuk joh! Op mijn dertigste heb ik bijvoorbeeld een week gedaan alsof ik eigenlijk tachtig was, maar weer even mocht leven in een vijftig jaar jonger lichaam!”

„En wat deed je toen?” vroeg mijn zus.

„Heel veel fietsen, omdat ik verwachtte dat ik dat later heel erg zou gaan missen, heel blij zijn dat ik nog in mijn eentje naar de wc kon, en ach, verder een nacht doorzakken, beetje roken, beetje vreemdgaan, eigenlijk alles waar ik in de loop der jaren misschien niet meer toe in staat zou zijn.”

‘Wauw”, zei mijn zus, „dus ik moet gewoon doen alsof ik een bejaarde ben in het lichaam van een bijna-veertigjarige en dan valt alles weer mee! Nooit meer heimwee!”

„Eerder heimpret! Hier”, zei Karel, en reikte haar een keiharde appel aan. „Opeten, want dat kan straks niet meer met een kunstgebit!”

Toen we naar huis wandelden, gaf mijn zus van enthousiasme licht in het donker.

„Hoe oud doe je nu alsof je bent?” vroeg ik geamuseerd.

„Ik doe alsof ik een negentigjarige ben in het lichaam van een bijna-veertigjarige en geniet ervan dat ik mijn eigen heupen nog heb.”

Hummend liepen we verder, tot ze plots halt hield en me pips aankeek.

„Wat is er?” vroeg ik verontrust. Ze omhelsde me uit alle macht.

Het duurde even voor ik begreep waarom. Voor ook ik me aan haar vastklampte, we even elkaars kleine vlot werden in een zee van tijd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.