Opinie

Soepeler omgang met schuld is populair, maar niet risicoloos

Nationaal Groeifonds

Commentaar

Hoe erg is het maken van schulden nog als je daarover niet of nauwelijks rente betaalt en er de welvaart mee vergroot? Die vraag is maandag helder beantwoord door het kabinet-Rutte III: niet.

Meer dan een jaar na de eerste berichten is er dan nu eindelijk het ‘Wopke-Wiebes-fonds’, formeel het Nationaal Groeifonds. Van de aanvankelijke bak met geld van 50 tot 100 miljard euro die belegd zou worden om met de opbrengsten te investeren is gelukkig niets meer over. Wat resteert is een jaarlijkse investering van 4 miljard euro, voorlopig voor de komende vijf jaar, met als doel het groeivermogen van de Nederlandse economie te versterken. 20 miljard euro dus.

Het geld, dat geleend wordt op de financiële markten, zal worden gestoken in kennisontwikkeling, de fysieke infrastructuur en in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Het fonds doet eenmalige publieke investeringen, geen structurele uitgaven. Bedrijven, decentrale overheden en andere instellingen kunnen zich melden bij een vakdepartement met een investeringsvoorstel (minimale omvang: 30 miljoen) en een onafhankelijke commissie, met daarin onder meer Laura van Geest (AFM), Robbert Dijkgraaf (Princeton) prins Constantijn (tech-start-ups), Feike Sijbesma (ex-DSM), Marieke Blom (ING) en Jeroen Dijsselbloem (oud-minister van Financiën), brengt daarover dan advies uit. Vervolgens is het aan het kabinet om definitief ja of nee te zeggen.

Wie nog bevreesd was dat de regering net als na de vorige crisis van 2008 snel zou gaan bezuinigen of de lasten verhogen om het gat te dichten dat de crisis in de begroting heeft geslagen, kan opgelucht ademhalen. Het is duidelijk: Nederland kiest ervoor om zich uit deze crisis te investeren, in plaats van de broekriem aan te halen. Zo vlak voor de verkiezingen van maart 2021 was een andere uitkomst ook lastig denkbaar.

De keuze voor een investeringsfonds is vooral een omslag in het denken over schuld, die al een tijdje sluimerde. Wie, zoals Nederland, sinds een paar jaar geld toe krijgt op het moment dat er geld geleend moet worden op de internationale kapitaalmarkten krijgt het niet meer uitgelegd dat het aangaan van schulden slecht is. Er kan nota bene winst gemaakt worden.

Daar kwam corona nog overheen, waardoor overheden wereldwijd miljarden aan noodsteun in hun economieën pompten om de klap van de economische lockdowns enigszins te dempen. Dat heeft ongetwijfeld geleid tot een zekere ‘miljardeninflatie’: wie in een paar maanden tijd 74 miljard euro in het coronagat gooit, blikt of bloost niet meer van een investeringsfonds van 20 miljard in vijf jaar.

Ook de economisch adviseurs van het kabinet zijn milder geworden over de houdbaarheid van de staatsschuld, zo bleek vorige week uit een artikel in NRC. Nederland staat er mede dankzij grondige hervormingen na de vorige crisis economisch goed voor, er is ruimte voor een wat losser beleid, zeggen De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau bijvoorbeeld.

Dat mag allemaal zo zijn, en voor een deel valt de economische ratio over met schuld gefinancierde investeringen nog wel te billijken. Risicoloos is het echter niet. Zo valt er van alles af te dingen op de gekozen vorm van het groeifonds. Een blik op het recente verleden stemt wat dat betreft niet erg hoopgevend.

Schuld blijft schuld, die ooit terugbetaald moet worden. Dat de rente nu zo laag is, kan en mag geen vrijbrief zijn om minder verantwoord om te gaan met de staatskas. Latere generaties die met hogere rentestanden te maken krijgen, zullen de lasten daarvan moeten dragen. Dat zij die makkelijker kunnen dragen dankzij door nu gedane investeringen gegroeide welvaart is theoretisch gezien een sluitende redenering. De praktijk zal zoals altijd weerbarstiger zijn.