Opinie

Hof maakt subtiel onderscheid tussen beledigen - haatzaaien

Proces Wilders

Commentaar

De uitspraak van het gerechtshof Den Haag vorige week tegen PVV-leider Geert Wilders (57) markeert een tussenstap, maar wel een belangrijke. In deze strafzaak over de ‘minder Marokkanen’-uitspraak wordt de grens van de vrijheid van meningsuiting voor politici bepaald – en die blijkt feitelijk ruimer dan het OM in 2014 zelf voor toelaatbaar hield. In het bijzonder wanneer er sprake is van discriminatie en haatzaaien. Daar blijken rechters niet snel van overtuigd. Groepsbelediging blijkt makkelijker bewijsbaar. Het Openbaar Ministerie heeft in hoger beroep opnieuw deels moeten inleveren, net als in eerste instantie. Wilders won ook in hoger beroep op punten.

Lees ook: Laat het nu over racisme gaan, niet over Wilders

Van de oorspronkelijke tenlastelegging werd de politicus al in 2016 vrijgesproken van aanzetten tot haat en (gedeeltelijk) van discriminatie. Het hof breidt de vrijspraak van discriminatie nu uit tot alle gewraakte uitlatingen uit maart 2014. Het hof acht alleen groepsbelediging bewezen, waarvoor het overigens evenmin straf oplegt. Dat versterkt het sterk symbolische, haast academisch juridische karakter van de zaak.

Intussen heeft Wilders het nog steeds over een politiek proces, hem aangedaan door een corrupte elite. Dat het gerechtshof overtuigend laat zien dat al het contact tussen OM en het departement voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing nergens de regels overtreedt, laat hij onvermeld. Toch is dat nu echt uit de wereld.

Straks zal de Hoge Raad in ieder geval oordelen of het hof vooral het haatzaai- en discriminatieverbod juist heeft uitgelegd. Ziet de Hoge Raad dat anders dan wordt de zaak verwezen naar een nieuw gerechtshof. Het OM kan dus op meer punten later alsnog gelijk krijgen. Als Wilders daarna het Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg erbij weet te betrekken, zijn we makkelijk een decennium verder.

Lees ook: Bemoeide justitie zich met de vervolging van Wilders?

Nu telt vooral dat het hof alleen Wilders’ speech in het Haagse café strafbaar vindt. Daarin deed hij, geregisseerd en gerepeteerd, voor de camera een vraag-antwoord-spel dat uitliep op de belofte ‘minder Marokkanen’ te gaan ‘regelen’. Het hof acht dat (alleen) strafbare groepsbelediging. Met als motivering dat hoe ruim de uitingsvrijheid ook is, die wordt overschreden, óók door een politicus, als er minderheden worden belasterd. Daarmee wordt „de pluriforme democratische samenleving ondergraven”. Het fundament daarvan is immers „verdraagzaamheid en respect voor de gelijkwaardigheid van alle mensen”.

En dat is dan ook de enige rode lijn die het hof trekt waar niemand overheen mag. Je eigen publiek opjutten met ‘minder, minder Marokkanen’ vindt het hof géén aanzetten tot discriminatie of haatzaaien. Het hof redeneert dat Wilders hier alleen uit was op ‘politiek gewin’. En niet dat hij zijn publiek voortaan wilde laten discrimineren of haten. Mogelijk deden ze dat al, denkt de lezer er dan zelf bij. Het was strikt genomen alleen zieltjes winnen, vindt het hof. Het vergt wel enig inlevingsvermogen om dat ook zo te zien. De rechtbank woog juist het ‘opruiende karakter’ van de speech mee, als óók haatzaaiend.

Mochten politici met gelijksoortige teksten in komende campagnes de aandacht zoeken dan heeft het OM nu dus een probleem – discriminatie en haatzaaien worden verschillend beoordeeld. Alleen over groepsbelediging zijn rechtbank en hof het eens. En de geformuleerde maatstaf van het hof is op zich glashelder: een politicus mag niet de gelijkwaardigheid van alle mensen ondergraven. Dat biedt hopelijk voldoende bescherming totdat uiteindelijk, ooit, te zijner tijd, de rechtspraak er helemáál uit is.