Opinie

De twee polen waartussen de mensheid zich beweegt

Maxim Februari

Er heerste flinke zeepnood, zo’n honderd jaar geleden. Huisvrouwen hannesten met zeepvervangers en gevaarlijke nepzepen. Dat weet ik, omdat ik opeens belandde in de zeep. Regeringszeep. Rijkszeepbureau. Zeepvervalsingen. En de afschuwelijke zwarte zeephandel.

Om buiten mijn bubbel te treden, ging ik vorige week in levenden lijve naar Museum Het Valkhof in Nijmegen en daar bekeek ik een tentoonstelling van de Amerikaanse fotografe Susan Barnett. Ze fotografeert mensen die een T-shirt dragen met een uitgesproken slogan op de rug; ik liep de zaal binnen en zag als eerste een man met op zijn rug de aansporing ‘Don’t be a dick’. Goed. Nuttig. Als iedereen zich dat advies ter harte zou nemen, zou de wereld een betere plaats zijn.

Even later dwaalde ik in het museum langs de vaste collectie en ik stuitte op een sierbord met het opschrift ‘Weg met den ketting-handel!’ Met op de rand van het bord de jaartallen 1914, 1915, 1916, 1917, 1918. Slogans zijn kennelijk van alle tijden en ik raakte eigenlijk het meest nieuwsgierig naar deze. Thuis zocht ik verder en ik kwam terecht bij handelaren die elkaar in de Eerste Wereldoorlog onderling zeep doorverkochten en zo de prijs opdreven.

Op 20 juli 1918 repte het socialistische dagblad Het Volk van een zeepschandaal. „In de grote steden denken de niet-wetende vrouwen, dat de burgemeester de zeep ergens heeft achtergehouden. Wie op de hoogte is – want de wetenschap zit hier bij de N.O.T. en bij de zeepkombinatie – weet, dat er een gering rantsoentje is voor huishoudzeep, dat in vele gevallen door de fabrikanten nog niet is afgeleverd, dat de zeep in den kettinghandel is, dat er reuzenwinsten worden gemaakt, dat de niet-bezitters, in ’t bijzonder de vrouwen, er de ellende van hebben. Zo viert de winzucht van het kapitalisme hoogtij.”

Het citaat is te vinden in de online publicatie Schaarste aan zeep in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914 -1918 van Rob Kammelar, een van de meest onderhoudende teksten die ik in tijden heb gelezen. Als ik Hollywood was, zou ik er een speelfilm van maken. De zeepkwestie laat vooral zien hoe moeilijk het is om overheidsmaatregelen te nemen die echt werken. Sommige ingrepen werken averechts, andere worden massaal genegeerd. Bureaucratie werkt verlammend en de markt heeft andere interesses dan de nood van de bevolking.

De zeepnood was ontstaan doordat productie en handel stagneerden. Glycerine, een bijproduct van zeep, werd door de industrie voor springstoffen gebruikt: zonder zeep geen bommen. In oorlogstijd vroeg dat uiteraard om een internationaal handelsverbod en toezicht van de Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij (N.O.T.). De prijzen stegen derhalve. En voor zover de zeep nog niet helemaal op was, werd die via de kettinghandel ingepikt door de welgestelden. De arbeiders morden.

Zo kwam het dat boze huisvrouwen een zeepwagen plunderden bij zeepfabriek Viruly. In Amsterdam trokken ze naar de winkel van J.C. Boldoot en riepen om zeep. Soms eisten ze zeep van de burgemeester. „Als een in het nauw gedreven burgemeester al toezeggingen deed,” schrijft Rob Kammelar, „kon hij die achteraf zelden waar maken.”

Wat kon de regering doen? Er kwam een Rijkszeepbureau. Er werden maximumprijzen vastgesteld. En toen de kettinghandel daardoor juist toenam, werd besloten dat fabrieken alleen nog „regeringszeep” mochten maken, zoals er ook „regeringsbrood” was en „eenheidsworst”: producten die aan kwaliteitseisen voldeden. Toen dat net zomin werkte, ging zeep op de bon. Dat verliep nogal moeizaam. Het gemeentelijk distributiekantoor Rotterdam kondigde aan te beginnen met afgifte van „Huishoudzeep tot den maximumprijs van 16½ cent uitsluitend op bon No.13 van de Vischkaart.”

Intussen fraudeerde het hele land er naar hartenlust op los. Knoeiers fabriceerden gevaarlijke nepzepen, winkeliers hielden voorraden vast, gelukszoekers van allerlei rang en stand smokkelden naar Duitsland, de industrie was alleen maar uit op faillissement van de concurrentie. Met als gevolg dat vroedvrouwen en wasvrouwen zonder zeep zaten; men waste met kastanjepulp en afgietwater van aardappels. Er brak schurft uit.

In de Emmer Courant adviseerde een apotheker mensen vanwege de Spaanse griep afstand van elkaar te houden en mensenmassa’s te mijden. „Wascht verder dikwijls uwe handen, het liefst met zeep, doch bij dezen zeepnood met zand.” Tuberculose nam toe. Vlektyfus dook weer op.

Op de tentoonstelling van Susan Barnett draagt een van de gefotografeerden een T-shirt met de tekst ‘I don’t give a fuck’. Fijn, heel verhelderend. De slogans ‘I don’t give a fuck’ en ‘Don’t be a dick’: dat zijn de twee polen waartussen de mensheid zich eeuwig beweegt.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.