Recensie

Recensie Muziek

Rotterdams Philharmonisch speelt strak in rare kring

Klassiek In de Rotterdamse Doelen opende het seizoen dit weekend met een avontuurlijk concert door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Lahav Shani.

Chefdirigent Lahav Shani (staand) bij een werkbezoek van minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, midden) en Wouter Koolmees (Sociale Zaken, rechts) aan het Rotterdams Philharmonisch Orkest.
Chefdirigent Lahav Shani (staand) bij een werkbezoek van minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, midden) en Wouter Koolmees (Sociale Zaken, rechts) aan het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Foto Pieter Stam de Jonge/ANP

Ook bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest overheersten afgelopen week opluchting en blijdschap over terugkeer tot de kern van het oude normaal: eindelijk weer live concerten, op het podium, voor ‘echt’ publiek. Dat blijft de komende maanden (hopelijk) zo, al zijn het in De Doelen wel voornamelijk concerten van het orkest, naast wat kleinschalig(er) aanbod.

Voor de seizoensopening was een in alle opzichten avontuurlijk programma opgetuigd. De jonge componiste Mathilde Wantenaar schreef haar Fanfare to Break the Silence voor koperensemble (met slagwerker) speciaal voor de gelegenheid. Het bleek een afwisselend werk met twee gezichten. Een indringend, taptoe-achtig solo-lamento loopt over in bigbandachtige collectieve swing. De hoog en wijd uiteen opgestelde blazers waren daarbij in de ‘klassieke’ passages merkbaar meer in hun element.

Lees ook dit interview met componiste Mathilde Wantenaar

Chef-dirigent Lahav Shani, doorgaans niet tuk op praatjes voor de zaal ‘omdat muziek het krachtigst spreekt’, legde kort uit waarom het orkest de rest van het programma speelde in een curieuze, cirkelvormige opstelling, de houtblazers met de rug naar het publiek, Shani zelf in het centrum. Argument: in de 1,5-meteropstelling kunnen de musici elkaar zo gewoon het allerbeste horen.

In Bartóks Divertimento (voor strijkorkest) werkte de opzet. De donkere strijkerstimbres waren goed te horen en het feit dat je Shani met zijn explosieve energie ook frontaal kon zien schakelen tussen knarsende uitbundigheid en ultrazacht gespeelde stukjes had zeker meerwaarde.

Ingewikkelder werd de afweging in Sjostakovitsj’ Negende, waarvan blazerssoli immers een hoofdingrediënt uitmaken. Op strak orkestspel en Shani’s uitstekende leiding viel niets af te dingen, maar een zo prachtige fagotsolo als die van Pieter Nuytten van de rug af moeten beluisteren, dat voelde toch een beetje als coronaknuffelen door een plastic vel.