Roelant Oltmans: „Als India een aardige wedstrijd speelt kijken er 300 miljoen mensen. Maar dat is geen graadmeter voor het internationale hockey.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Roelant Oltmans: ‘Het aanzien van het hockey is de afgelopen veertig jaar niet toegenomen’

Roelant Oltmans | Hockeycoach Roelant Oltmans (66) keert bij Kampong terug in de hoofdklasse, veertig jaar nadat hij begon als hockeycoach. Hij won vrijwel alle grote prijzen. „Je kunt alles meten, maar je moet ook goed blijven kijken.”

De laatste keer dat Roelant Oltmans kampioen werd in Nederland, bestond de Sovjet-Unie nog. Het was 1989, toen Floris Jan Bovelander, Cees-Jan Diepeveen, Hendrik-Jan Kooijman en Theodoor Doyer met hun jonge coach de vierde titel op rij behaalden voor Bloemendaal. De Iraanse geestelijk leider, Ayatollah Khomeiny, sprak dat jaar een fatwa uit tegen de Britse schrijver Salman Rushdie wegens de publicatie van De Duivelsverzen, GroenLinks werd opgericht, de Muur viel, Greg LeMond won de Tour de France met acht tellen verschil en op het Tiananmenplein in Beijing werd een protest bloedig neergeslagen. Geel-Zwart degradeerde uit de hoofdklasse met een doelsaldo van -69.

Dit weekend keerde Roelant Oltmans (66) terug in de hoofdklasse, als coach van Kampong, met het doel om in 2021 weer landskampioen te worden. Vier decennia streed hij in alle hockeystadions van de wereld – met hier en daar een uitstapje buiten zijn sport. Het is een lange reis geweest voor de man die vrijwel alles won wat er voor zijn voeten kwam, vooral in de beginjaren, toen hij de bijnaam Goldmans kreeg wegens alle landstitels, Europa Cups, Champions Trophy’s, olympisch goud en wereldtitels.

Oltmans kan het nu pas, thuis in zijn stille, zonnige tuin in Oegstgeest, een beetje overzien. „Ik heb altijd hetzelfde gezegd: succes duurt 24 uur, en dan ben ik alweer bezig met het volgende. Voor mij hoef je een titel niet wekenlang te vieren. Achteraf heb ik weleens gedacht: je hebt er eigenlijk veel te weinig van genoten. Later, als je minder succesvol bent, ga je veel meer waarderen wat er toen is gebeurd. Maar op dat moment, als je bovenaan staat, als er op je gejaagd wordt, is het de kunst om die voorsprong te behouden. Daar was ik altijd mee bezig.”

Hij is geen man van grote woorden of boude uitspraken. Bescheiden, tikje introvert, een man die liever over zijn vak praat dan over zichzelf. Op en top professional, maar altijd liefhebber. Als hij zijn ultieme hockeygevoel beschrijft, verschijnt er een nostalgische glimlach op zijn gezicht. „Die harde tok van de bal op het hout van de achterplank van het doel. Heerlijk. Zodra ik binnen die lijnen sta, gebeurt er wat. Vroeger had ik dat gevoel nog meer, met echt gras. De geur van pas gemaaid gras. Touwen om het veld gespannen, zodat mensen er niet op kwamen. Stiekem toch doen, natuurlijk.”

Vijf keer bondscoach

Hij was bondscoach in Nederland – mannen en vrouwen – in Pakistan, India en Maleisië, was technisch directeur van NAC Breda, werkte voor NOC-NSF. Altijd weer, na alle lange reizen, keerde hij terug naar Oegstgeest. Zijn vrouw en kinderen bleven in het huis wonen. Een klassieke prent aan de muur en een versleten Dita-stick als wc-rolhouder op het toilet verraden dat hier een hockeygezin is neergestreken.

Als jochie van acht ging hij zelf op hockey in het Amsterdamse Bos, bij Pinoké, waar zijn vader een blauwe maandag had gekeept, net als zijn beide zussen later deden. Hij speelde er vanaf zijn vijftiende in het eerste, totdat een chronische achillespeesblessure een einde maakte aan zijn carrière. Hij was 26, met een baan als docent lichamelijke opvoeding. „Ik kon wekenlang mijn vak niet uitoefenen omdat ik geblesseerd was. Ik vond dat niet kunnen, dus ben ik gestopt met hockey. Het was mijn eigen schuld, ik was te fanatiek geweest in de voorbereiding, te lang doorgegaan.”

Hij kende een onwaarschijnlijke start als coach bij Leiden, geen topclub. In zijn eerste seizoen, als twintiger nog, promoveerde hij naar de overgangsklasse en stoomde in een keer door naar de hoofdklasse, nadat het clubhuis was afgebrand en thuisduels maanden onmogelijk waren geweest. Niet voor niets viel het oog van Bloemendaal op de jonge trainer die zijn tijd ver vooruit was met zijn analyses.

Het bleek een gouden combinatie, aan de voet van ’t Kopje van Bloemendaal. „Ik weet nog dat Cees-Jan Diepeveen en ik de avond voor de Europa Cup-finale in Terrassa, in 1987, het spelersdiner oversloegen. We zijn de hele avond beelden van Terrassa gaan bestuderen, dat deed nog niemand. Die beelden kregen we van Mühlheim, dat ook mee had gedaan. Omdat we de corner van Terrassa zo goed hadden bestudeerd liep Diepeveen er in de finale negen uit, geloof ik. En we wonnen de Europa Cup 1.”

Relativeren

Zijn karakter als coach en mentor werd mede gevormd door de tragische dood van zijn moeder. Ze leed aan kanker. „Ik was 22, zij was nog heel jong, 49. Ik studeerde nog. Door haar dood heb ik snel geleerd te relativeren. Alles kan morgen anders zijn in het leven. Het heeft voor een deel mijn levensvisie bepaald. Ik heb altijd geprobeerd het leven te omarmen, zoals zij altijd had gedaan. Mijn moeder was enorm open, ons huis was altijd de Zoete Inval. Ze had veel meegemaakt, de Tweede Wereldoorlog natuurlijk. Ze was deels Joods, en had met een ster gelopen. Dat krijg je wel mee. Ze was onderwijzeres op een Montessorischool. Ze vond dat je mensen moest helpen en sturen in plaats van directief te zijn. Dat heb ik als coach ook nooit gedaan.”

Oltmans groeide uit tot een icoon van het Nederlandse hockey, met als hoogtepunten het olympisch goud van Atlanta (1996) en de wereldtitel van 1998 in Utrecht. Hij maakte een opvallende overstap naar het betaald voetbal, als directeur bij NAC. „Sportief was het een van de beste perioden van NAC, met een vierde plaats in de eredivisie. Maar er waren zoveel problemen, vooral financieel. Ik had onvoldoende power om daar iets tegen te doen. Ineens was ik ‘de hockeyer’. Ik ben op de snelweg ingesloten door auto’s met NAC-supporters. Op een gegeven moment kwamen ze vanuit Breda om mijn ramen in te gooien, terwijl mijn zoon van twaalf lag te slapen. Toen ben ik gestopt. Ik kan niet tegen onrecht. Ik vind niet dat je moet zeggen ‘dat is nu eenmaal voetbal’. Het gaat over mens zijn, hoe je in de maatschappij staat.”

Mijn moeder vond dat je mensen moest helpen en sturen in plaats van directief te zijn. Dat heb ik ook nooit gedaan

In die veertig jaar zag Oltmans het hockey drastisch veranderen, vooral in zijn Aziatische jaren. Bijna jaarlijks veranderden spelregels; wedstrijden werden gespeeld in vier kwarten in plaats van twee helften; toernooien kwamen en verdwenen, zoals de Hockey World League. Typerend: toen Oltmans vorige maand terugkeerde uit Maleisië moest hij vragen hoelang een hoofdklassewedstrijd duurt. Internationaal is dat 4 x 15 minuten zuivere speeltijd, in Nederland 4 x 17,5 minuut, waarbij de klok doorloopt. „Ik ben het met je eens dat het af en toe erg hard gaat met alle wijzigingen. Er is altijd één gedachte: hoe maken we hockey populairder voor een groter publiek? Het moest sneller, leuker, aantrekkelijker, ze wilden tv-kijkers trekken, er moest een verdienmodel komen. In het hockey moet je bijna betalen om op tv te komen.”

Hij ziet het gevaar. Nog niet zo lang geleden leek de olympische status van het hockey serieus in het geding. Vooral India, waar hij jaren werkte als technisch directeur en bondscoach, kreeg een cruciale rol om de internationale status hoog te houden. „Als India een aardige wedstrijd speelt kijken er 300 miljoen mensen. Maar dat is geen graadmeter voor het internationale hockey. Het is terecht dat India werd ingezet als land dat het hockey moet veiligstellen. Maar nu gaan bijna alle WK’s naar India. Je moet spreiden.”

Bredere wereldtop

Oltmans denkt diep na. En doet een opvallende observatie. „Ik heb niet de indruk dat het aanzien van het hockey de afgelopen veertig jaar is toegenomen in de internationale sportwereld. Ik denk wel dat het in veel meer landen echt serieus wordt aangepakt. Veertig jaar geleden had je een topdrie of -vier. Met Nederland, Australië, Duitsland en Pakistan.”

Roelant Oltmans: „Ik vind dat we nu even moeten stoppen met regelwijzigingen.” Foto Merlijn Doomernik

Maar nog steeds slaagt de sport er niet in om brede interesse te wekken. „Buiten India of Nederland komen weinig mensen kijken, ook niet in België. Er is te weinig harde kern. Herkenbaarheid van de sport speelt daar misschien een rol. De afschaffing van de Champions Trophy was voor echte hockeyliefhebbers het ergste wat ons overkomen is. De FIH [de internationale federatie] wilde er meer landen bijhalen, dat is een wens van het IOC. Maar met de afschaffing van de Champions Trophy hebben ze zich in de eigen voet geschoten.”

Veel regelwijzigingen begrijpt Oltmans wel. De self-pass, het afschaffen van vier kwarten om meer reclameblokken te creëren. „Dat vind ik niet zo gek. Maar ik weet niet wat het heeft opgeleverd. Als ik hockey kijk denk ik nooit: wat een enorme reclameblokken. Ik vind dat we nu even moeten stoppen met regelwijzigingen. Ik ben verrast dat er niet wat vaker wordt gesproken met experts. Ik loop toch een paar jaar mee in de hockeywereld, maar ik heb nog nooit een vraag gekregen vanuit de FIH.”

Dit weekend stond hij dus weer langs de lijn in de hoofdklasse. Het verschil met 1984, bij Bloemendaal, is enorm. Zijn spelers betaalden destijds contributie – nu staan topspelers voor tienduizenden euro’s op de loonlijst. „Het grootste verschil is het aantal trainingsuren. Bloemendaal trainde drie keer in de week, de internationals nog een keer extra met Oranje. Nu traint alleen al het Nederlands team vijf keer per week, en clubs ook vier tot vijf keer. Spelers lopen met GPS in hun nek om de fysieke belasting te volgen. Je kunt alles meten, maar je moet ook goed blijven kijken. Het mentale deel, de bereidheid om te winnen, valt niet te meten. Als je Bovelander met GPS had gevolgd had je hem waarschijnlijk niet opgesteld. Maar hij had iets wat niemand had. Hij was de kalmte zelf als de spanning het grootst was. Kijk naar de finale van Atlanta, de WK-finale van 1990, talloze keren bij Bloemendaal. Hij was een meester.”

Correctie (7 september 2020): in een eerdere versie werd Bovelander gekoppeld aan de WK-finale van 1998, bedoeld werd 1990. Dit is aangepast.