Corona zit nu ook aan tafel bij de Brexit-gesprekken

EU-VK Het virus heeft ook de Brexit-onderhandelingen aangetast. Nu waait bij beide partijen de protectionistische wind uit alle hoeken.

Premier Boris Johnson vrijdag op bezoek in Birmingham bij de aanleg van hogesnelheidslijn HS2. Het project loopt al tien jaar. De belofte van betere treinverbindingen leverde Johnson veel stemmen op.
Premier Boris Johnson vrijdag op bezoek in Birmingham bij de aanleg van hogesnelheidslijn HS2. Het project loopt al tien jaar. De belofte van betere treinverbindingen leverde Johnson veel stemmen op. Foto Andrew Fox/AFP

Een onberispelijk mondkapje hoort inmiddels net zo bij de outfit van EU-onderhandelaar Michel Barnier als zijn zijden dassen. Het is een uiterlijk teken dat het coronavirus de Brexit-onderhandelingen heeft besmet. Maar ook aan de onderhandelingstafel heeft de pandemie de kaarten grondig geschud. Covid-19 werpt bij de gesprekken een schaduw vooruit, over de toekomstige economie waarover de twee partijen onderhandelen en daarmee over hun toekomstige verhouding.

Deze maandag start in Londen een nieuwe onderhandelingsronde. De zogeheten transitieperiode eindigt 31 december, maar volgens Brussel moet een eventueel akkoord op zijn laatst eind oktober klaar zijn om op tijd geïmplementeerd te kunnen worden. De voornaamste twistpunten zijn bekend en feitelijk al jaren dezelfde: Britse weerstand tegen Europese regels, Europese vrees voor oneerlijke concurrentie.

Maar het afgelopen half jaar heeft de pandemie veel vastgeroeste economische uitgangspunten op losse schroeven gezet en ontwikkelingen versneld die voorheen al onder de oppervlakte broeiden. De fundamenteelste daarvan is de veranderde rol van de overheid in de economie.

Apostelen

Zo zijn de Europese angsten over de toekomstige koers van de Britse regering veranderd. Nog niet zo lang geleden, vorig jaar, werd vooral alarm geslagen omdat brexiteers als Jacob Rees-Mogg, adviseurs als Shankar Singham en meer apostelen van gedereguleerde vrijhandel hun invloed zouden aanwenden om van het Verenigd Koninkrijk een Singapore-aan-de-Noordzee te maken. De vrees was dat de Britse premier het mes ging zetten in milieuregels, in vakbondsbescherming, in belastingtarieven en arbeidsnormen. Zo’n hyperconcurrerende eilandeconomie zou een kwelling zijn voor het Europese sociale model. Juist daarom verlangde Brussel dat de Britten zouden beloven zich te houden aan het gelijke speelveld.

Inmiddels slaat de meter uit naar de andere kant. Opeens is staatssteun het dossier geworden dat aan de onderhandelingstafel tot chagrijn leidt. De EU wil voorkomen dat de Britten hun bedrijven van douceurtjes voorzien in de vorm van belastingkortingen, leningen en oneigenlijke subsidies om zo een concurrentievoordeel te behalen op Europese bedrijven. Gunstige Britse toegang tot de Europese interne markt kan alleen als Boris Johnson toezegt het dikke pakket Europese staatssteunregels te volgen.

Die eis is op het eerste gezicht vreemd. De Britten verleenden altijd weinig staatssteun aan hun bedrijven. Uit cijfers van de Europese Commissie uit 2018 blijkt dat het Verenigd Koninkrijk voor 0,38 procent aan bbp de eigen bedrijven steunde, lager dan het Europese gemiddelde van 0,76 procent van bbp en significant minder dan Duitsland (1,45 procent).

Lees ook: ‘Corona kan tot nieuwe eurocrisis leiden’

Maar Johnson is geen gewone Conservatieve premier en de coronacrisis dwingt zijn regering tot ongewoon beleid. Overigens, nog voordat het virus toesloeg, beloofde Johnson al dat hij de schatkist in zou zetten om aan zijn campagnebeloftes te voldoen. De achtergebleven gebieden van Engeland, waar bewoners hem afgelopen december aan verkiezingswinst hielpen, moeten sneller internet, betere treinlijnen en meer ziekenhuizen krijgen.

Daar kwam corona bovenop. Inmiddels mengt de regering van het VK zich op allerlei manieren in de economie. Het ministerie van Financiën betaalt de salarissen van miljoenen private werknemers, heeft de private treinbedrijven tijdelijk genationaliseerd en voorziet restaurants van subsidie. Om dit alles te bekostigen overweegt minister Rishi Sunak een verhoging van de vennootschapsbelasting van 19 naar 24 procent — dus niks belastingparadijs aan de Theems.

De sprong van tijdelijke noodsteun, naar langdurige overheidsinterventie om de Britse economie (20 procent krimp vorig kwartaal) weer op te bouwen lijkt klein. Johnson is weliswaar niet happig mastodonten van de oude economie te redden (luchtvaartmaatschappij Virgin kreeg bijvoorbeeld geen bailout) maar wil mogelijk wel bedrijven helpen die in de toekomst belangrijk zijn: de farmaceutische industrie, de techsector, pioniers in kunstmatige intelligentie.

EU-regels bleken vloeibaar

Eist Brussel daarbij nu dat het VK zich aan de EU-regels blijft houden, dan kan Londen er fijntjes op wijzen dat juist die regels de afgelopen periode nogal vloeibaar bleken. De strikte Europese staatssteunregels werden flink versoepeld, om overheden de kans te geven noodlijdende bedrijven in de lucht te houden.

Bovendien versnelt de coronacrisis de discussie over Europese industriepolitiek. Deze zomer kwam de Europese Commissie met voorstellen voor betere bescherming tegen buitenlandse partijen die met oneigenlijke staatssteun uit eigen land de Europese markt betreden. Het protectionistische briesje in Brussel wint aan kracht en zet druk op de handelsonderhandelingen.

Overal in Europa wordt ondertussen nagedacht over de economie ná de pandemie. Om de klimaatdoelen te bereiken zijn forse investeringen in groene technologie noodzakelijk, waarbij ook het oprekken van staatssteunregels wordt besproken. Ook het inlopen van de Europese achterstand in de digitale industrie en kunstmatige intelligentie vergen grote overheidsinvesteringen.

In die zin zijn de onderhandelingen over een nieuw handelsakkoord tussen de EU en het VK een vroege slag om de economie van de toekomst. De rol van de staat in de economie zal fors groter zijn, op z’n minst de komende tijd. Maar hoe groot, en welke rol staatssteun de komende jaren zal spelen: het ligt aan beide kanten van het Kanaal open. Die onzekerheid heeft de evenwichtsoefening van de onderhandelingspartners ook vergroot. Zij willen met elkaar handel blijven drijven, maar ook zichzelf de beste uitgangspositie verschaffen om de komende decennia welvaart te garanderen en de concurrentie met de rest van de wereld aan te kunnen.