Pandemonium in het bestuur van de Kamer. De oorzaak? Eén man: Wilders

Deze week: een splijtende ruzie in het bestuur van de Kamer. Ofwel: hoe de evaluatie van het ‘wegloopdebat’ in het zomerreces de gemoederen heeft verhit – en de capitulatie voor Wilders’ kinderlijke onredelijkheid die dit blootlegt.

Het dagelijks bestuur van de Kamer, het presidium, kwam vorige week woensdagochtend voor het eerst weer bijeen, en we kunnen veilig stellen dat van een ontspannen vakantiegevoel geen sprake meer was.

Een aanwezige noemde de sfeer ijzig. Iemand anders zei: ze hebben de kettingzaag in de voorzitter gezet. Ook noteerde ik: stevige confrontatie. Uitzonderlijk. Ongepast. Een nare gang van zaken.

Het presidium blikte terug op het zogenoemde wegloopdebat tijdens het reces. Het debat waarin Geert Wilders (PVV) hoofdelijke stemming afdwong over een motie voor betere salariëring van het zorgpersoneel. De meeste coalitie-Kamerleden verlieten hierna het Tweede Kamergebouw, het quorum verviel, en de stemming kon niet doorgaan.

Wilders zette de coalitie zo te kijk als onsportief, en die symboliek legt ook een hypotheek op het najaar. De oppositie ziet kansen Rutte III verder in de hoek te drijven nu het kabinet op Prinsjesdag geen structurele verhoging van de zorgsalarissen zal aankondigen (wel een extra zorgbonus). Het nachtmerriescenario zou zijn dat de Tweede of Eerste Kamer om die reden de volledige zorgbegroting afstemt.

In die presidiumvergadering van 26 augustus legden coalitie-Kamerleden de schuld bij voorzitter Khadija Arib (PvdA). Zij had Wilders’ nachtelijke verzoek om hoofdelijke stemming gehonoreerd, luidde de klacht, hoewel het presidium eerder afsprak dat zo’n hoofdelijke stemming wegens corona „tevoren [moet] worden aangekondigd”. Vooral de vicevoorzitter van de CDA-fractie, Madeleine van Toorenburg, ging er volgens aanwezigen snoeihard in: met stemverheffing en krachttermen stelde zij het gezag van de voorzitter ter discussie.

Maar Arib wees erop dat bij de coronawerkafspraken telkens was onderkend dat Kamerleden hun grondwettelijk recht op hoofdelijk stemmen behielden. Presidiumleden uit de oppositie beaamden dit, en verweten coalitie-Kamerleden dat zij hun eigen blunders op Arib afschoven.

Gezellig is het die ochtend niet meer geworden.

Maar als je de ui afpelde, en terugging naar de oorsprong van alle coronawerkafspraken, was het een wonderlijke ruzie. Een ruzie die de politieke tijdgeest typeert – omdat niemand het nog waagde de veroorzaker van het hele geval aan te wijzen: Wilders zelf.

Twee weken na de eerste Nederlandse coronapatiënt, toen duidelijk was dat het virus zich in Brabant snel verspreidde, vroeg Wilders 12 maart het woord in het dagelijkse proceduremoment van de Kamer, de regeling van werkzaamheden. De PVV-voorman was ongerust: hij had besloten dat PVV-medewerkers thuis gingen werken, en vroeg Arib ook om veiligheidsmaatregelen voor de rest van het Kamerpersoneel.

Ergo: omdat Wilders alle medewerkers van de Kamer wilde beschermen, was hij het die de coronawerkafspraken van de Kamer initieerde. „Misschien kunt u daar een brief over sturen namens het presidium”, zei hij 12 maart tegen de voorzitter.

Drie dagen later werd hij op zijn wenken bediend. Verwijzend naar Wilders’ verzoek schreef Arib 15 maart namens het presidium dat er „in de komende periode geen stemmingen” zouden zijn.

Twee maanden later werden de werkafspraken versoepeld, al bleek uit Aribs nieuwe brief, van 13 mei, dat de veiligheid van het Kamerpersoneel nog altijd bijzondere afspraken vereiste. Niet alleen moest een hoofdelijke stemming tevoren worden aangekondigd („er is voorbereidingstijd nodig”), ook schreef de voorzitter: „Als tijdens de stemmingen blijkt dat een hoofdelijke stemming moet plaatsvinden, wordt daarvoor een ander moment gezocht.”

Deze afspraken waren nog geldig tijdens het debat van 12 augustus. Dat ging niet primair over zorgsalarissen: Lodewijk Asscher (PvdA) wilde praten over de groei van het aantal coronagevallen. Over verhoging van zorgsalarissen was voor de zomer al ettelijke malen gestemd, waarbij SP en PVV vaak het hardst, zij het vergeefs, verhoging bepleitten.

Maar op 12 augustus zong ’s ochtends al rond dat Wilders hierover die dag hoofdelijk wilde stemmen. Omdat de coalitie te weinig mensen van vakantie had teruggehaald, begonnen VVD, CDA, D66 en CU bij de oppositie te polsen of zij wilden meehelpen Wilders’ plan te blokkeren. Dit weigerden ze.

Het leidde tijdens een schorsing rond middernacht tot een geïrriteerde uitwisseling tussen de coalitie-Kamerleden Van Toorenburg en Sophie Hermans (VVD), die er samen bij Arib op aandrongen dat zij op grond van de coronawerkafspraken geen hoofdelijke stemming zou toestaan.

Maar Arib wees op het grondwettelijk recht van elk Kamerlid, en raadde ze aan te praten met Wilders: hij ging erover. En Wilders, gezeten in zijn Kamerbankje, liet de twee coalitieparlementariërs op luide toon weten dat hij niets met de coronawerkafspraken in het presidium te maken had – de afspraken die hij zelf had geïnitieerd.

Typerender was wat hierna gebeurde. Behalve Wilders had óók SP-leider Lilian Marijnissen een motie ingediend. Sterker: Marijnissen was eerder. Haar motie vroeg om „structureel betere waardering van zorgverleners”, die van Wilders om „structureel forse salarisverhoging”. Vrijwel hetzelfde.

Maar omdat Marijnissen eerder was, kwam haar motie ook eerder in stemming. Er werd gestemd bij handopsteken, de stemmen staakten. Dus vroeg Arib wat Marijnissen nu wilde. Ze respecteerde de coronawerkafspraken en zei, zoals dit al maanden gaat: ik houd mijn motie aan. In de SP vertelden ze achteraf: hoofdelijke stemming had op dat moment ook geen enkele zin, omdat deze kwestie nu eenmaal niet op een paar dagen aankwam.

Toen voerde Wilders zijn inmiddels bekende nummer op, waarna de coalitie koos voor het armoedige wegrennen.

Maar Wilders’ theater hierover kon niet wegnemen dat zijn zorgen over de veiligheid van het Kamerpersoneel, de basis voor de coronawerkafspraken, meteen waren verdwenen nu het hem even niet uitkwam. En dat hij er zijn hand niet voor omdraaide zich het thema van de zorgsalarissen voor de ogen van de SP toe te eigenen, hoewel elke noodzaak voor spoedige stemming ontbrak.

Je kon zeggen: slim gespeeld, handig, knap. Maar je kon ook zeggen: wat schaamteloos.

Dit zien we natuurlijk al jaren bij hem, en het zat vrijdag ook in zijn reactie op de uitspraak van het gerechtshof in de ‘minder, minder’-zaak. Eindeloos wist hij de beroepszaak te verlengen met de claim dat er sprake zou zijn van een politiek proces. Het hof wees vrijdag die claim na jaren onderzoek gedocumenteerd af. En zijn eerste reactie was: ik ben slachtoffer van een politiek proces.

Wat dit betreft lijdt de Haagse politiek aan een ongemakkelijk soort gewenning. Wilders’ kinderlijke onredelijkheid is als politiek feit geaccepteerd geraakt. Na de ‘minder, minder’-uitspraken in 2014 stemde de PvdA van Diederik Samsom nog uit principe tegen elke PVV-motie. En hoewel er niets aan Wilders’ standpunten en stijl is veranderd, werkt de PvdA van Asscher probleemloos met hem samen.

Het gaat verder: niemand bekritiseert hem nog op zijn egocentrisme, niemand zoekt nog de confrontatie, niemand waagt het nog zijn schaamteloosheid te etaleren. Met als slotsom dat de andere partijen elkaar in het presidium uitschelden wanneer ze de ongemakken moeten verwerken die Wilders heeft veroorzaakt.

Zo bespeelt hij het systeem, en ontneemt hij het beetje bij beetje zijn integriteit. En omdat de meeste politiek leiders dit als realiteit zijn gaan accepteren, kan iedereen zien hoe de Haagse moraal langzaam in zijn richting opschuift.