‘Mijnenveger’ in Oostzee blijkt 17de-eeuw Hollands handelsschip

Archeologie De handel met Oostzeelanden was eeuwenlang van groot belang voor Nederland. Onlangs is weer een gezonken schip gevonden.

Een duiker van de Finse organisatie Badewanne bij het gevonden 17de-eeuwse handelsschip, een zogeheten fluit. De Finnen zoeken naar schepen en onderzeeërs uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog.
Een duiker van de Finse organisatie Badewanne bij het gevonden 17de-eeuwse handelsschip, een zogeheten fluit. De Finnen zoeken naar schepen en onderzeeërs uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Foto Badewanne

In de Finse Golf is weer een bijna volledig intact zeventiende-eeuws fluitschip ontdekt. Het is vermoedelijk een Nederlands handelsschip, zo maakte de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) vorige week bekend. „Helemaal zeker weten we het nog niet”, zegt maritiem archeoloog Martijn Manders van de dienst. „De fluit, die tussen eind zestiende en eind achttiende eeuw is gebruikt, is een Nederlands ontwerp, maar is later ook voor en in andere landen gebouwd. Hoe ouder het schip, des te groter de kans dat het Nederlands is.”

Fluiten waren driemasters die opvielen door hun lengte, bolle lichaam en smalle dek. De schepen hadden een groot laadvermogen; de bemanning was klein. Door het smalle dek hoefde men weinig belasting bij de Sont te betalen. Hierdoor is het schip veel gebruikt voor de Oostzeehandel. Manders: „Nederland had door de goedkope fluit praktisch een monopolie op de graanhandel en maakte enorme winsten met ‘de moedernegotie’”, zoals de handel met de Oostzeelanden werd genoemd.

De fluit, die in Finse wateren bij het schiereiland Hanko ligt, is in juli ontdekt door een Finse organisatie die al meer dan twintig jaar in de Finse Golf op zoek is naar schepen en onderzeeboten uit WO I en WO II. „Op de sonar hadden ze iets gezien dat volgens hen een Russische mijnenveger uit de Eerste Wereldoorlog was”, weet Manders. „Toen ze gingen duiken ontdekten ze op 85 meter de fluit, rechtop, op zijn platte kiel. Door een vissersnet zijn wel de voorsteven, het achterdek en het smalle hakkebord beschadigd.”

De bewaaromstandigheden in de Oostzee zijn extreem goed: het zoutgehalte is laag, zodat er geen paalworm aanwezig is, het is er diep en koud, en er is bijna geen stroming. De afgelopen twintig jaar zijn hierdoor in de Oostzee nog vier andere bijzondere Nederlandse wrakken gevonden: een snauw (kustvaarder met twee masten), twee fluiten en een fregat. Hun ontdekkingen haalden meestal wel de pers, maar niet wat er later met de schepen is gebeurd.

Van de snauw Vrouw Maria was al lang bekend dat het op 9 oktober 1771 was gezonken, met aan boord schilderijen van Hollandse meesters als Gerard Dou en Gabriël Metsu, die tsarina Catharina de Grote op een veiling in Amsterdam voor de Hermitage had gekocht. In 1999 werd het schip vrijwel intact gelokaliseerd op 41 meter diepte. Hoewel Russische partijen hebben geprobeerd geld bijeen te brengen om het schip met de schilderijen te lichten, heeft de Finse rijksdienst voor het cultureel erfgoed besloten het schip voorlopig te laten liggen. Vanaf 2000 is het schip regelmatig door archeologen van nabij onderzocht en zijn delen van de lading naar boven gehaald, zoals koffiebonen, verfstoffen (indigo en meekrap), kleipijpen en lenzen. „Een Finse archeologe is bezig met een proefschrift”, zegt Manders.

Alle hens aan dek

In 2003 werd een tweede fluit ontdekt, die nu te boek staat als het Ghost Ship. In 2010 is het schip op een diepte van 130 meter onderzocht met behulp van een op afstand bedienbare robot. Aan de hand van een opgetakelde hoekman, een beeld aan de zijkant van de versierde achterzijde van het schip, kon worden vastgesteld dat het schip Nederlands was. Zweedse archeologen publiceerden in 2017 onderzoek waaruit bleek dat de tuigage zo goed bewaard was gebleven dat ze de laatste stand van de zeilen hadden kunnen reconstrueren. Ze hadden vastgesteld dat het schip vlak voor het verging vaart had geminderd. Mogelijk omdat alle hens aan dek nodig waren geweest in een poging het schip te redden.

Zweedse archeologen zijn ook betrokken bij het onderzoek naar wat het Lion Wreck is genoemd: een fluit die in 2009 bij de archipel van Stockholm is ontdekt. Manders: „Ook hiervan is het nog niet helemaal zeker dat het om een Nederlands schip gaat.”

Manders en zijn team doen namens de RCE mee aan onderzoek en beheer van een oorlogsschip dat in 2002 in de Finse Golf is gevonden. Een zeekaart gevonden door amateurhistoricus Peter Swart maakte in 2015 duidelijk dat het om het fregat Huis te Warmelo uit Medemblik gaat. Het oorlogsschip van de Nederlandse admiraliteit zonk op 15 augustus 1715. Van de tweehonderd opvarenden verdronken er 130. Peter Swart publiceert op de website fregathuistewarmelo.nl regelmatig nieuwe informatie over wie die opvarenden waren. In 2016 en 2017 heeft het Finse onderwaterbedrijf SubZone met steun van de RCE, de Finse erfgoeddienst en de gemeente Medemblik met fotogrammetrie 3D-opnamen van de buitenkant gemaakt. Manders: „Dit jaar zouden we een klein onderzoek aan de achterzijde van het schip doen, maar door corona is dat uitgesteld.”

Van de pas ontdekte en nog naamloze fluit heeft Manders nu nog alleen video-opnamen gezien. „Het viel me op dat de patrijspoorten mooi versierd waren. Bij het Ghost Ship zie je dat niet.” Wat hem betreft doet de RCE mee aan verder onderzoek. „Vanochtend heb ik al contact gehad met de Finse erfgoeddienst. Ik zou graag een kijkje binnenin nemen. Daarvan weten we eigenlijk nog niets.”