Opinie

Markt en moraal gingen bij Lubbers moeiteloos samen

Paul Scheffer

Ooit zat ik naast Ruud Lubbers in een aftands vliegtuig van Defensie op weg naar een conferentie in München. De turbulentie was serieus. Terwijl ik met mijn nagels diepe voren trok in de stoelleuning, spitte de oud-premier onverstoorbaar een stapel vergaderstukken door. Zijn borstelige wenkbrauwen stonden er fier bij.

Na een half uur was de stapel verdwenen en raakten we in gesprek. Hij was oprecht geïnteresseerd in mijn handel en wandel. Lubbers, die ruim twee jaar geleden overleed, bevestigde daarmee een indruk die ik al eerder had. Anders dan veel progressieve politici die erg in de weer zijn met de mensheid, hebben hun traditionelere tegenhangers doorgaans wat meer oog voor de medemens.

Die herinneringen kwamen terug bij het lezen van Haagse jaren, de zojuist verschenen memoires van de voormalige premier. Daarin vertelt hij over zijn weerzin tegen de hoogmoed van de sociaal-democraten, die hun macht wilden doordrukken. Niet alleen Dries van Agt, maar ook Lubbers wilde geen tweede kabinet onder leiding van Joop den Uyl.

Politici ter linkerzijde wisten zich geen raad met de christen-democratische partij. Sterker nog, ze waren van mening dat er helemaal geen plaats was voor zo’n partij. In het beginselprogramma van de PvdA uit 1959 stond dat „principieel de organisatie van het politieke partijleven op grondslag van een godsdienstige belijdenis” moest worden verworpen.

Ja, principes, daar wist men wel raad mee – machtsvorming was iets anders. In linkse kringen werd begin jaren zeventig gedelibereerd over een fusie. Die progressieve volkspartij is er nooit gekomen, maar de christelijke partijen slaagden er wél in om hun tegenstellingen te overwinnen. Het typeert de naar binnen gekeerde houding van politici als Den Uyl en Ed van Thijn: ze wisten zeker dat de deconfessionalisering zijn werk zou doen en zagen niet hoe de machtsverhoudingen kantelden. De rest is geschiedenis.

Lubbers was behendig in de binnenlandse politiek, maar hij was een stuk minder op dreef in de buitenlandse politiek. Zeker in de jaren na de val van de Muur toonde hij zich een erfgenaam van de grote Thorbecke, die in 1830 noteerde: „De Nederlandsche Staatkunde, zelve vrij van heerschzucht, is de billijkste oordeelaarster over de heerschzucht van anderen.” Iets te veel gidsland.

Ik herinner me een interview waarin hij naar aanleiding van de oorlog in Joegoslavië onze buurlanden de maat nam. Dat ging zo: over Duitsers („ze hadden een beperkte kijk op Joegoslavië”); over Frankrijk („heeft het heel moeilijk gehad met zichzelf”); over Britten („hebben weer last gehad van hun eiland denken”); en ten slotte België („een nogal duifachtige benadering”) (Vrij Nederland, 1993). Dat het niks werd met zijn Europese ambities verbaasde me niet.

Wel werd Lubbers Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de VN – immigratie en asiel lagen hem na aan het hart. Ik had hem dan ook gevraagd als gesprekspartner voor een bijeenkomst over mijn boek Het land van aankomst. Hij kwam op een zondagmiddag goed geluimd naar de Rode Hoed in Amsterdam. Lubbers wilde wel een eindje meedenken, maar hield behoedzaam afstand.

Zo verschilden we van mening over de term ‘economische vluchtelingen’ die hij vaak gebruikte. In die term herkende ik de ondernemer die het nut van goedkope arbeidskracht omarmt en de christen die open wil staan voor de noden van mensen buiten de eigen grenzen. Markt en moraal gingen bij Lubbers moeiteloos samen – ik wilde het verschil tussen economische en humanitaire overwegingen blijven zien.

Los van zijn opvattingen was Lubbers voor mij – net als Den Uyl – een toonbeeld van toewijding. Ook al bezag hij het Haagse gewoel met meer relativering dan de premier wiens tweede kabinet er nooit kwam, zijn lange loopbaan verraadt een hartstocht voor de publieke zaak. Zijn leven en werk laten zien dat politiek een ambacht is – een ambacht dat zwaar wordt onderschat.

Een van de laatste keren dat ik Lubbers meemaakte was in Ljubljana. We moesten spreken op een congres van kindermusea. Hoe we in die contreien verzeild raakten, is een ander verhaal. Lubbers was bij die gelegenheid zijn prettig onaangepaste zelf: hij sprak al improviserend in een geheel eigen soort Engels veel langer dan was voorzien.

Hij wijdde vooral uit over zijn jarenlange betrokkenheid bij het milieuvraagstuk. De smog in zijn woonplaats Rotterdam van de jaren zestig had hem naar eigen zeggen veranderd. Daar keek ik van op. Nu ging het om niets minder dan de redding van de oceanen. Ik probeerde hem te volgen, maar verlangde opeens hevig naar de tijd dat hij zijn politiek bestempelde als ‘no-nonsense’.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese Studies in Tilburg en hervat zijn wekelijkse column, op vrijdag.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.