Opinie

Het enige veilige wielrennen is niét wielrennen

Twistgesprek Wielrenners moeten met een eigen vakbond grotere veiligheid in wedstrijden afdwingen, betoogt . Media en publiek zijn sensatiezuchtig, stelt .
Twistgesprek

In de eerste etappe van de Tour de France vorige week waren er meteen meerdere valpartijen door natte en dus gladde wegen. De veiligheid van de renners is hét onderwerp van gesprek in deze uitgestelde Tour – door de coronacrisis wordt de grootste wielerwedstrijd twee maanden later dan gebruikelijk gehouden. Een paar ernstige valpartijen in augustus (Fabio Jakobsen in de Ronde van Polen, Remco Evenepoel in de Ronde van Lombardije) hebben voor woede gezorgd in het peloton.

Doen de internationale wielerunie UCI en de wedstrijdorganisaties te weinig aan onveilige parcoursen? Moeten wielrenners zelf in actie komen om verandering af te dwingen? Of zijn valpartijen van alle tijden en is alleen de verontwaardiging nieuw? Jos van Emden, wielrenner bij de ploeg Jumbo-Visma, schreef een opiniestuk in het AD waarin hij tien concrete maatregelen voorstelde om het profwielrennen veiliger te maken („We zijn wielrenners, geen circusdieren.”) Bert Wagendorp, journalist, schreef in een column voor het wielerblad De Muur dat vallen en gevaren bij de sport horen. De stelling waarover zij met elkaar twisten: het is de hoogste tijd om het wielrennen veiliger te maken.

Jos van Emden is JvE, Bert Wagendorp is BW.

JvE: „Wielrennen is te lang stil blijven staan. Beter gezegd, de UCI is stil blijven staan. In veel andere sporten worden de omstandigheden van de sporters constant herzien om de veiligheid te vergroten. In het wielrennen niet. Wielrennen is per definitie een gevaarlijke sport, maar zoals het nu is, kan een ploegmanager zijn werknemers niet meer verantwoord de weg opsturen. Er zijn veel vermijdbare risico’s, waar je zonder veel moeite iets aan kan doen. Zo kan het niet langer.”

BW: „Dat de UCI stil is blijven staan ben ik helemaal met je eens. En niet alleen op het gebied van veiligheid. Natuurlijk moet de veiligheid van wielrenners zoveel mogelijk worden gegarandeerd en zo mogelijk worden verbeterd. De crux en tevens het probleem van wat je schrijft zit in het woordje ‘vermijdbaar’. Ook als je alle vermijdbare risico’s uitsluit, blijft er een gevaarlijke sport over. Er zitten nu eenmaal geen begrenzers op een fiets, en met negentig kilometer van een berg af is eigenlijk af te raden.”

JvE: „Niemand geniet van een renner die zijn sleutelbeen breekt. Het klopt dat als je de ‘vermijdbare risico’s’ weghaalt de sport nog steeds niet helemaal veilig is. Maar kleine aanpassingen kunnen grote gevolgen hebben. Het letsel kan voor een renner, als hij valt, veel kleiner worden. We kampen nu met te veel ‘wat als?’-vragen. Wat als de dranghekken niet uit elkaar gaan? Wat als de finish 100 meter verder/minder ver lag? Wat als het peloton wel een sterke vakbond of eigen stem zou hebben?”

BW: „Onderschat de sensatiezucht van media en sportpubliek niet. Je herinnert je die akelige valpartij van Johnny Hoogerland in de Tour van 2011 nog wel, toen een renner naast hem werd aangereden door een auto van de Tourdirectie en hij in het prikkeldraad belandde. Die is een miljoen keer herhaald. In plaats van een ‘wat als’-vraag een ‘waarom’-vraag: waarom laten renners zich zoveel aanleunen? Hun gebrek aan onderlinge solidariteit draagt bij aan hun eigen onveiligheid en ze zijn dus medeverantwoordelijk. Ik heb bij sprints vaak het idee dat de sprinters een trechter worden ingedreven, alsof er door de parkoersbouwers bewust wordt gezocht naar valpartijen. Jullie kunnen toch zeggen: daar doen we niet meer aan mee?”

JvE: „Dat is een goed punt. Waarom laten wij zoveel toe? Ik weet het ook niet precies. Maar in ieder geval hebben we een vakbond nodig die vuurkracht heeft. Na wat er de afgelopen maand allemaal is gebeurd, wil ik niet meer lijdzaam toekijken als er bijvoorbeeld weer zo’n aankomst is als in Polen, waar de weg het laatste stuk tot de finish bergaf gaat. In de eerste etappe van de Tour maande Tony Martin het peloton tot langzamer rijden, omdat het te gevaarlijk was. Dat laat zien dat meerdere renners de noodzaak voelen. Het is aan de grote namen in de sport om hier het voortouw in te nemen, naar hen wordt simpelweg eerder geluisterd.”

BW: „Ik heb me altijd verbaasd over de lijdzaamheid van wielerprofs. In het tennis is het heel anders. Daar heeft de vakbond gewoon het hele tennis overgenomen. Ik weet niet of je daar de grote namen voor nodig hebt, ik dacht meer aan een paar superslimme advocaten die tegen UCI en Tourorganisator ASO op kunnen. Terug naar de veiligheid: ik vind valpartijen verschrikkelijk om te zien. Soms durf ik bij afdalingen niet eens te kijken. De gedachte dat daar een vriend van me zou rijden, of nóg erger, een zoon of dochter, bezorgt me koude rillingen. Maar toch kun je de afdaling niet uit het wielrennen halen, hoewel zij levensgevaarlijk kan zijn. Ik hoorde na het ongeluk van Fabio Jakobsen stemmen die ervoor pleitten de eindsprint te verbieden: ook onmogelijk. Het is net als met horror: je zit te griezelen en tegelijkertijd kun je je er niet van losmaken. Veilig wielrennen zal nooit bestaan, het enige veilige wielrennen is níet wielrennen.”

JvE: „Er wordt nu gewoon te weinig gedaan. Het probleem is dat onze vakbond niet iedereen vertegenwoordigt, de UCI bij elke kwestie zijn straatje schoonveegt en de grote wedstrijdorganisatoren ons zien als pionnetjes. Deze organisaties, de UCI voorop, hebben meermaals bewezen dat ze niet bekwaam zijn om echt werk te maken van onze veiligheid. Gelukkig lijkt het erop dat een verbond van ploegen en renners elkaar vinden in het opzetten van een instantie die dit probleem professioneel aanpakt. Een partij waar de UCI naar moet luisteren. Waar de juiste kennis in huis is. Nu is het moment om iets nieuws op te zetten en dit probleem prioriteit te geven.”

Lees ook: De stilte is oorverdovend als het grootste talent van het peloton in het ravijn verdwijnt

BW: „Helemaal mee eens. Maar je moet er ook voor oppassen dat de ploegen de macht in handen krijgen. Die hebben op een bepaalde manier ook belang bij gevaarlijk spektakel en kijken eerst naar zichzelf. Dat bleek ook weer toen Tony Martin de boel tot rust maande. In plaats van voor solidariteit koos de Astana-ploeg toch voor het eigenbelang. En wat gebeurt er wanneer het op 25 oktober beestenweer is en het peloton in Parijs-Roubaix afstormt op het Bos van Wallers, vol spekgladde kasseien? Gaat Martin dan ook op kop rijden om de boel stil te leggen? Ik denk het niet, want dat zou niet worden geaccepteerd door zijn ploegmaat Wout van Aert, die bedreven genoeg is om daar de beslissende slag te maken. Gaan de organisatoren zeggen: we rijden om, het Bos is te gevaarlijk? Zeggen de tv-zenders: we zenden dit niet uit, want dat zou sadisme zijn? Het wielrennen hinkt op twee gedachten. Aan de ene kant maakt ‘gevaar’ deel uit van de marketingmix van de sport. De toeschouwer bij de Romeinse gladiatorengevechten zit, ben ik bang, nog altijd in ons. Aan de andere kant verandert de tijdgeest en dient de sport zich aan te passen. We vinden risico’s steeds minder acceptabel, die bij het sportamusement al helemaal. Ik denk dat je hetzelfde gaat zien als in de dopingdiscussie. Vroeger liet doping het publiek koud, maar dat veranderde en er ontstond weerstand. Sponsors sluiten zich daarbij aan, en dan kunnen tv-zenders en organisatoren ook niet achterblijven. Dan wordt het wielrennen veiliger, zullen de organisatoren andere parcours-keuzes maken en strenger optreden. Helemaal veilig zal het nooit zijn, zoals de sport ook nooit helemaal dopevrij zal zijn. Dat wil ook niemand, denk ik. Ik kijk nu al huiverend uit naar de afdalingen van zaterdag en zondag…”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.