Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

Een jaar alleen op de oceaan: ‘Een gevoel van nietigheid, dat is het’

Wat maakt het leven de moeite waard? Rob Biersma (71) maakte een solozeilreis naar Suriname. Hij bundelde de mails die hij schreef aan vrienden en familie. „Mijn beide kinderen gaven me hun fiat. Prima pap, jij kan dat. Andere mensen zeiden: je bent gek.”

We hebben afgesproken op zijn boot. De Rissa, genoemd naar de oceaanmeeuw Rissa tridactyla, ligt in het haventje van Rhoon, bij Rotterdam. Met deze niet meer dan tien meter lange zeilboot maakte Rob Biersma (71) vier jaar geleden een solozeiltocht naar Suriname. De reis duurde een jaar: een half jaar heen, een half jaar terug. Er waren tussenstops (Azoren, Canarische Eilanden, Caraïben), dan bracht hij een paar weken door met familie of vrienden. Maar meestal was hij alleen op de oceaan. Dan mailde hij bijvoorbeeld hoe er een ongekend harde wind was opgestoken.

‘Ik besloot toen in mijn domheid de koers van de windvaanstuurinrichting wat te verstellen, want die was na deze windhoos veel te zuidelijk geworden. Met een hoofdlamp op en mijn regenbroek aan klom ik over de stuurlijntjes heen en net toen ik de windhoek wilde instellen, kwam er uit het donker een enorme golf over me heen. Ik kon me nog net op de kuipvloer laten vallen, anders was ik overboord gespoeld. Mijn bril zat nog op mijn neus, maar ik had geen droge draad meer aan mijn lijf. Dom, dom, dom!’

Privéfoto Rob Biersma
Privéfoto Rob Biersma
Privéfoto’s Rob Biersma

Dit fragment komt uit Scheepsberichten, een bundeling van de mails die Rob Biersma tussen 22 juli 2016 en 30 juni 2017 vrijwel dagelijks stuurde aan zijn ‘lieve familie en vrienden’, meestal met de satelliettelefoon. Je leest hoe het hem vergaat op de boot, welke vogels en vissen hij spot, dat hij op stille momenten leest en schaakt, wat hij meemaakt tijdens zijn tussenstops. Het is allemaal even aandachtig en toegewijd opgeschreven, hier en daar tegen het literaire aan. En zo nu en dan best intiem.

‘Vandaag heb ik me gewassen op de zeilersmanier. Zeep gebruik ik eigenlijk nooit, hooguit wat shampoo. Helemaal in mijn blootje in de kuip, een teiltje zeewater erbij en een washandje. Daarna me met zoet water schoongespoten met behulp van een plantenspuitje. Het kostte een halve liter zoet water, maar ik voel me nu helemaal schoon.’

Rob Biersma en ik kennen elkaar, hij was wetenschapsredacteur bij NRC. Het verklaart zijn heldere stijl van schrijven: dat was altijd zijn werk. En hij is bioloog, wat zijn observatievermogen nog versterkt. Omdat de interviews in deze serie gaan over ‘wat het leven de moeite waard maakt’, heb ik hem gevraagd er voor ons gesprek een paar van te lezen. „Dan weet je wat je te wachten staat.”

Maar omdat ik hem ken, weet ik vooral wat mij te wachten staat. Rob Biersma (gescheiden, twee volwassen kinderen) gaat niet uitweiden over zijn gevoelens. Hij zegt het ook meteen nadat hij de elektronica op en rond zijn kaartentafel heeft laten zien en we zijn gaan zitten in de kajuit van de boot: „Dat soort interviews zijn not my cup of tea: al die gevoelens, al die meningen. Ik ben mijn hele leven een rationalist geweest, ik geef om feiten. Oké, ik grossier ook in meningen, maar daarbij draag ik dan toch vooral feiten aan: ‘wist je wel dat…’”

Het klopt met zijn boek. Eenzaamheid, dreigend gevaar, angst voor de dood: de woorden vallen wel eens, maar zielenroerselen komen er niet aan te pas. ‘Solovaren maakt dat je hoofd soms gaat malen’, staat er hooguit een keer. Hoe dat dan gaat?

‘Na de zoveelste keer bijstellen van de windvaan werd ik een beetje onvoorzichtig. Voor ik het wist werd mijn pet afgeblazen. Pesterig bleef hij liggen op de onderste trede van de zwemtrap. Ik wilde hem grijpen, maar hield me in: dat zou te riskant zijn, ik kon overboord vallen. Dus ik zag hoe de pet weggleed, het water in en dat hij met een vaartje van de boot wegdreef. (…) Het beeld van de verdwijnende pet bleef me achtervolgen. Ik had de pet toch moeten redden. Aan dit soort dingen blijf ik uren denken.’

Einde fragment, de volgende alinea begint met: ‘Om 14.00 uur was de wind noordelijk genoeg gedraaid om het grootzeil te zetten.’

Toch wil ik graag weten wat je bewoog om deze tocht te gaan maken, zeg ik: je was al niet jong meer, je hebt familie en vrienden, het is een gevaarlijke tocht. Rob Biersma: „Ik heb altijd gevaren, elke keer dat ik de kans kreeg. Al toen ik zeventien was, monsterde ik aan als bordenwasser, pantry boy. Zodra ik op zee ben komt er een soort euforie over me, ik ben dan heel scherp en tegelijk voel ik me fantastisch, opgewekt en blij. Ik ben ook niet bang voor de zee. Dus toen mijn pensionering dichterbij kwam dacht ik: ik ga een verre reis maken, een wereldreis. Daarom heb ik deze boot gekocht, met mijn vorige boot had ik niet de oceaan op gekund.”

Ook, legt hij uit, was het een besluit in stapjes. Voor de grote oversteek maakte hij oefentochten: naar Noorwegen, rond Groot-Brittannië, drie keer naar de Azoren.

‘Mij werd toen duidelijk dat er een grotere brandstoftank moest komen en een betrouwbaarder motor. Ook paste ik de veiligheidsmiddelen aan. Al met al had ik het idee dat ik geen onverantwoorde dingen deed.’

Rob Biersma: „Er zijn mensen die het niet halen, die niet technisch zijn. Je moet natuurlijk wel weten wat je doet.” Foto Annabel Oosteweeghel

Vonden je familie en je vrienden dat ook?

„Mijn beide kinderen gaven me hun fiat: prima papa, jij kan dat. Die wisten hoe goed deze boot was. Mijn broer die ook zeilt, zei: ‘Als je de Azoren hebt gedaan, is de rest geen probleem.’ Maar andere mensen zeiden: je bent gek.”

Dat zou ik ook hebben gezegd, ja.

„Maar jullie weten helemaal niet wat zeilen is. Er zijn zoveel mensen die solozeilen.”

Maar daarvan zijn er ook die…

„Die het niet halen, nee. Die fouten maken. Die niet technisch zijn. Je moet natuurlijk wel weten wat je doet. Alle dingen hier aan boord heb ik zelf uitgezocht, geplaatst, uitgeprobeerd. Ik ben niet een echte technicus, maar ik begrijp algauw de bedoeling. En ik kies ook de juiste dingen. Als ik zie met welke… Bijvoorbeeld in die film All is lost…”

Ons gesprek vindt plaats nadat in Zomergasten de film All is lost (2013) op tv is vertoond. Daarin speelt Robert Redford een zeezeiler die moet overleven op de Indische Oceaan, zijn zeiljacht is beschadigd door een botsing met een ronddrijvende zeecontainer.

Iedereen begint over die film, als ik zeg dat ik met jou ga praten.

„Het is onbegrijpelijk zoals die man zichzelf in de problemen brengt. Schepen op de oceaan varen aan je voorbij zonder je te zien, dat is waar. Maar daar moet je dus zelf voor zorgen, je kunt ze oproepen met de marifoon.” Hij staat op en pakt een tweede marifoon vanachter een plank bij de kaartentafel. „Deze had ik ook bij me, die kun je onder water houden. Dus als er wat zou gebeuren zou ik die in mijn reddingsvlot hebben. En het is ook geen film uit de oude doos, hè: hij heeft een hypermoderne boot. Maar die elektronica heeft hij kennelijk niet bij zich. En dat gekluns in het begin, dat er water in de boot stroomt en dat-ie dan zit te klungelen met ankers. Man, het enige wat jij nu moet doen is zorgen dat dat lek gestopt wordt! Pak een laken, pak een kussen, prop dat erin en maak het waterdicht: dát moet je doen! Ik vond dat hij bijzonder raar handelde. Zo hoeft het niet te gaan.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Je trekt je niks aan van wat mensen zeggen als je zo’n zeiltocht wilt gaan maken?

„Nee, helemaal niks. Er is een bibliotheek vol zeilboeken – en daar zitten heel veel solozeilers tussen. Dus het kan. En zo moeilijk is het niet. Solozeilers die het niet hebben overleefd, hebben geen boek geschreven, dat is zo ja. Er zijn er een hoop omgekomen ook. Maar dat waren dus vaak mensen die toen ze vertrokken eigenlijk wel wisten dat ze niet goed geëquipeerd waren.”

Je hebt ook niet gedacht: er kan mij iets overkomen?

„Geen moment. Ik had wel een keer de pest in toen er twee stagen gebroken waren. Straks gaat de mast ook nog overboord, dacht ik. Maar dood ga je daar niet aan: daar dobber je dan, je moet oproepen doen. Of noodtuig maken en daarmee proberen land te bereiken. Ik had wel brandstof, maar niet genoeg voor dagenlang. Maar goed, ik heb die mast kunnen behouden. En ik was niet bang nee, ik had meer de pest in: een lelijke tegenvaller.”

‘Om tien uur werd ik wakker door het gekrijs van een keerkringvogel. Ik sprong naar buiten en ja hoor, daar vloog er eentje rond de boot. Wat een beauty! Hij was nog mooier dan de vorige, iets kleiner ook leek me. Ik wierp hem kushandjes toe en riep dat hij erg mooi was. De keerkringvogel vloog een paar rondjes om de boot en verdween opgewekt in de oneindigheid van de oceaan.’

‘Als ik de wc doorspoel, zie ik opeens een visje zwemmen. De wc wordt met zeewater gespoeld, dus zoiets kan gebeuren, een visje in de wc. Het visje is twee centimeter lang en zwemt wanhopig rond in de pot. Nergens een uitgang te vinden. Ik onderdruk de neiging om het visje door te spoelen. Het is al een wonder dat het levend door alle pompen en afsluiters is gekomen, een tweede keer zou zijn einde betekenen. Ik vang het visje met een kopje. Zo’n klein visje, visbroed denk ik, is een en al oog. En de rest van het lijfje is doorzichtig. Ik gooi het beestje voorzichtig terug in zee.’

Vogels en vissen nemen een prominente plaats in het boek in, in bijna elke mail komen ze voor. Ze houden hem gezelschap op zee, een enkele keer praat hij tegen ze. Eigenlijk voelt hij zich vooral in de havens die hij onderweg aandoet soms wat alleen. Daar moet je de aansluiting zien te vinden die er op het water als vanzelf is.

‘Vandaag waren ze allemaal present: het Vale stormvogeltje, de twee soorten keerkringvogels en de Bruine boobie. Voeg daarbij dat iedere minuut tientallen vliegende vissen voor mij uit springen, dan begrijp je dat het hier verre van eenzaam is.’

Maar niet iedere solozeiler is bioloog. Rob Biersma: „Nee, de meesten zien ook niks. Die hebben het dan over die eindeloze golven. En ze worden wel eens wakker als er een groepje dolfijnen langskomt. De vogels waar ik de hele tijd naar zit te kijken, merken ze niet eens op. Maar goed, ik ben een echte vogelaar.”

Dat was belangrijk voor je?

„Heel belangrijk. Die vogels waren mijn trouwe maatjes, ze kwamen altijd. Vooral de Cory, de pijlstormvogel is dat. Dit is er één, hè (hij wijst naar de kaft van het boek, dat op tafel ligt) en die zie je dus de godganse dag, op het grootste deel van de oceaan zijn ze zichtbaar. Het zijn ook vrij grote vogels, ongeveer zo groot als een zilvermeeuw. Maar ze vliegen duizendmaal beter, ze kunnen eindeloos lang alleen maar zweven, heel raar. En ik merkte dat ze ’s avonds een zekere nieuwsgierigheid kregen, waarom weet ik niet. Maar dan kwamen ze dichterbij. Meestal bleven ze op een afstand van een meter of dertig, maar ’s avonds naderden ze tot op wel vijf meter. Ze hebben ook lieve ogen, ik weet niet of je het op de foto kunt zien. Heel anders dan zilvermeeuwen.”

Hoe belangrijk was het schrijven van mails?

„Heel belangrijk ook. Ik kreeg ook de hele tijd van iedereen antwoord: aanmoedigingen, raadgevingen, goh wat leuk, ga zo door. Daardoor waren er eigenlijk steeds mensen om me heen. Veel solozeilers, wanneer die aankomen in een haven beginnen ze meteen te ouwehoeren als ze mensen zien: ze willen een luisterend oor. Dat had ik niet nodig, ik had alles al opgeschreven.”

Ook als het een zware dag was, nam je daar de tijd voor.

„Het is ontspannend. En ik wilde het ook van me af hebben, woorden geven aan wat er was gebeurd.”

Had je je voorgenomen die mails zo te schrijven? Of liep het gewoon zo?

„Ik had het al eerder een keer gedaan, op een van mijn oefentochten. Daar kreeg ik goede reacties op, dus toen dacht ik: misschien is het wel een idee om er deze keer serieus werk van te maken. Want een wereldreis, dat is toch iets waarvan mensen zeggen: dat willen we wel een jaar volgen. En dat was ook zo: ik kreeg steeds meer lezers. Het begon met vijftig, op het laatst waren het er wel honderd.”

Je hebt er ook wel je best op gedaan.

„Ja, zonder meer. Kijk, ik heb veel zeilboeken gelezen en die zijn bijna altijd saai. Mensen die alleen maar vertellen dat de wind weer is aangetrokken, af en toe hebben ze een ontmoeting met een walvis. Maar dat beeld kunnen ze dan niet oproepen.”

Foto Annabel Oosteweeghel
Foto Annabel Oosteweeghel
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Toch kan ik me het leven aan boord beter voorstellen nu ik eenmaal je boot zie.

„We hebben aanvankelijk gedacht: zullen we foto’s toevoegen? Maar ik vond, het moet op een literaire manier worden uitgegeven. Met foto’s erin zou het te veel gaan lijken op een doorsnee zeilboek.”

‘Vannacht was het heel moeilijk. Hoewel ik buiten de shipping lane blijf, was er erg veel scheepvaart. Alles kriskras door elkaar, koopvaardij, kustvaart, vissers, zeilers en gesleepte transporten. Van slapen was geen sprake. Soms zie ik op mijn elektronische kaart dat er binnen 10 mijl geen aanvaring mogelijk is. Dan ga ik even liggen met een kookwekker op 10 of 15 minuten, afhankelijk van de snelheid van de schepen.’

Die kookwekker ligt in een la onder de kaartentafel. Of eigenlijk zijn het er twee, hij staat op en pakt ze. „Die zet ik dan allebei, want als ik diep in slaap val, wil ik er twee hebben.” Een van de wekkers heeft hij opgedraaid, die begint nu te rinkelen. „Een gehaat geluid, kan ik je zeggen.” Hij gaat aan de kaartentafel zitten en legt zijn hoofd op zijn armen. „Zo lig ik dan. En dan doe ik een dutje. Een beetje soezen, is het meer. Dan gaat de wekker af en kijk ik op de kaart of het gevaar al dichterbij is gekomen. Daarna spring ik naar buiten om te zien hoe het allemaal zit.”

Wanneer het gevaar is geweken, kan hij wat langer slapen, een uur of zo. „Maar de meeste nachten is er niks aan de hand, hè. Dan slaap ik de hele nacht door. Alleen wanneer je de kust nadert, komt het scheepvaartverkeer dichterbij en moet je de hele tijd opletten. Dus als je dan arriveert, heb je een paar dagen van slaaptekort achter de rug. Mensen zien solozeilers altijd hologig aankomen, maar dat wil niet zeggen dat het de hele tijd zo was. Ik probeer zoveel mogelijk slaap op te bouwen voordat ik in kustgebied kom.”

‘Ondertussen kon ik van de heldere hemel genieten. Zoveel sterren! Dit was de eerste heldere nacht. Sommige zeilers zeggen dat dit de essentie van zeezeilen is, de bijna religieuze ervaring als je alleen op zee in het donker die sterrenpracht ondergaat.’

In het boek vraag je je niet af wat voor jou de essentie is. Zou je die vraag kunnen beantwoorden?

„Tsja, wat is de essentie. Je bent gewoon midden op de oceaan, met boven je die intense sterrenpracht. Het is er zoveel donkerder dan hier, op het land heb je altijd strooilicht. Ik schrijf ergens dat ik werd verblind door de maan, nou dat is geen overdrijving. En dan zie je dus al die sterren, het geeft echt… Een gevoel van nietigheid, is het. Bijna alle mensen die ik ken en die zeezeilen, zeggen dat de nachten het mooist zijn. En dat vind ik ook: die ervaring is heel bijzonder. Het is ook vaak lekker koel, dat is ook fijn. Ja, in de tropen dan hè. En soms gebeuren er onverwachte dingen. Dan hoor je opeens het gesnuif van een dolfijn. Je weet het niet zeker natuurlijk, dus wat je gaat doen: je gaat ruiken. Want je kunt een dolfijn ruiken, hij ademt naar rotte vis. Dus ja, die nachtelijke ervaring, de nietigheid ervan… Dat klinkt ook weer zo godsdienstig… Maar je krijgt er echt hele speciale gevoelens bij. Je bent alleen, het schip slingert, je kijkt omhoog. Je kunt ook op je rug gaan liggen. En dan lig je daar en zie je al die sterren. Dan heb ik het idee: ik lig hier op mijn rug op een bolletje, de aarde heet dat bolletje, en kijk in dat enorme uitspansel. Ik ben atheïst, maar toch word ik dan geroerd en geraakt. En iedere nacht dat het zich voordoet, gebeurt dat opnieuw. Het is nooit dat je zegt: nou weet ik het wel.”

Rob Biersma, Scheepsberichten, Zeilend naar Suriname. Uitgeverij Atlas Contact, 271 pagina’s.

Foto Annabel Oosteweeghel