Opinie

Zwaan

Omdat ik er een heerlijk walgelijk zelfvoldaan gevoel aan overhoud, ren ik tegenwoordig drie ochtenden in de week tien kilometer. Onderweg zijn er dan mannen op schepen die naar me zwaaien en hun duim omhoog steken. Of mannen die papier prikken en hardop onder de indruk zijn als ik ruim een uur later badend van het zweet terugkom op de Coolhaven.

Of ik dan ook train voor de marathon, vragen mensen geregeld. ‘Absoluut niet, ik haat mensen’, is het korte antwoord. Daarnaast is het vooral een hardnekkig gebrek aan ambitie om naar een doel toe te werken. In Rotterdam is ambitie gelukkig nog een tikkeltje besmet. Op een paar beroepsgroepen na, zoals architecten en havenbaronnen, ben je als ambitieus mens toch echt beter op je plek in de hoofdstad. Hier wordt gewoon gewerkt.

Behalve door mij op deze ochtend, als ik langs wat straks de hoogste toren van Nederland is, de Erasmusbrug opren. Op het asfalt van de brug zie ik iets wits liggen. Het is een dode zwaan. Ik schrik me zo wezenloos dat ik, met een hand voor mijn ogen, zo snel mogelijk verder ren. Een tegemoetkomende vrouw onderaan de brug glimlacht vriendelijk. Ik twijfel of ik haar moet waarschuwen voor wat ze zo te zien krijgt. Onder de brug zwemmen in totaal tweeëntwintig zwanen, verdeeld over drie groepen. Ik tel drie keer, om zeker te weten dat het even aantallen zijn. Dat niet een ontroostbare zwaan zojuist zijn levenspartner verloren is.

De Zalmhaventoren met al zijn grootse ambities staat me meer dan ooit tegen

Op de terugweg vertrekt net de Dierenambulance. Op het asfalt liggen witte veren. De Zalmhaventoren met al zijn grootse ambities (‘excellent wonen, leven op niveau’), staat me meer dan ooit tegen. Als ik niet veel later langs de Chinese boot ren zie ik in het water, moederziel alleen, één zwaan. Ik wil huilen.

Omdat endorfine nu eenmaal een winnaar is glijdt het ontwrichtende dierenleed langzaam van me af. Op de Müllerpier besluit ik zelfs toch nog even alles uit mezelf te halen, en ik zet de eindsprint in, lopend langs de stenen rand van de kade, pal langs het water. Omdat het filmisch, fantastisch en lekker egaal is. Als ik word ingehaald, voel ik me tóch even superieur, want ik durf toch maar mooi langs die rand te rennen.

Precies op dat moment struikel ik over een metalen bout en stort ongenadig hard ter aarde. Het vriendelijke meisje vraagt twee keer of het gaat en zegt nog iets over een rand en gevaarlijk. Als ze weg is huil ik als een klein kind. Ik huil om de zwaan, van de pijn en om alles zo’n beetje eigenlijk. En om die zin, die wat mij betreft verankerd zit in de ziel van Rotterdam: Hoogmoed komt voor de val. Dat zal me leren, met dat zelfgenoegzame, filmische gedraaf. En zoals alles gaat ook het huilen voorbij, ben ik toch stiekem trots dat ik binnen twee seconden overeind stond en weliswaar grienend maar moedig door ben gerend. Want een beetje ambitie is zo gek nog niet, zolang je af en toe maar keihard op je bek gaat.

Tara Lewis is journalist. Zij schrijft de komende periode een wisselcolumn met Mirjam de Winter.