Opinie

Rotterdam na Corona: minder verstenen, meer vergroenen

De maatregelen tegen corona maken duidelijk dat Rotterdam verkeerd omgaat met woningbouw. De pauzeloze verdichting en verstening van de stad moet stoppen, zegt .

Illustratie Stella Smienk
Illustratie Stella Smienk

Er gebeuren vreemde dingen in Rotterdam. Onlangs zagen wij de ‘groene’ wethouder Wijbenga (VVD) trots paraderen met een groot bord onder zijn arm, daarop zijn ‘gigantische’ groenprogramma. Maar het blijkt meer te gaan om het (overigens verdienstelijk) „vergroenen” van versteende wegen en pleinen dan om substantiële uitbreiding van het groen in onze stad. Tegelijkertijd maakte zijn ‘rode’ partijgenoot Kurvers bekend nog eens 50.000 woningen te willen bouwen, vóór het jaar 2040, en dat ook nog in het stedelijk gebied. De een vergroent, de ánder versteent.

Kenner van Europese steden Geert Mak zei onlangs, sprekend over de Corona-misère, dat steden meer groenvoorzieningen behoeven, om de stedelingen uitloop naar rustige plekken te bieden. Kortweg: minder verdicht en versteend, meer open en vergroend. Reden genoeg om de blik te richten op Rotterdam. Hier is het beleid gericht op het zoveel mogelijk bebouwen van open ruimten, vooral ‘excelsior’ (steeds hoger). Zo beoogt men twee doelen: woningen voor Rotterdammers en mensen van buiten, en tegelijkertijd een skyline als symbool van de moderne wereldstad. Dit beleid leidt tot sterke verstening van de openbare ruimte en weinig tot geen toevoeging van substantiële groene ruimten. Deze hoogbouwstedenbouw slaat minder acht op windwerveling, schaduwkilte en een prettig straatmilieu, maar is gericht op een imposant en imponerend stedelijk beeld. Begrijpelijk uit een oogpunt van citymarketing en zeker ook tegemoetkomend aan een bepaalde woningbehoefte. En mogelijk ook een late echo van het aloude „Rotterdam herrijst”.

Maar past dit beleid ook in de noodzakelijke stedenbouw die corona ons opdraagt? Een pandemiebestendige stad heeft grotere plantsoenen en parken, waar je in moeilijke en gevaarlijke tijden rust en afstand kunt vinden. Op korte afstand van het woongebied, of juist daarin, windbeschut door uitgekiende aanplant en mooi ingericht. Nu wil het stadsbestuur in deze collegeperiode 18.000 (!) woningen binnen het stedelijk gebied in aanbouw hebben en nog 50.000 (!)vóór 2040, bij voorkeur in stedelijk gebied. Wat een ambitie!

Het Park bij de Euromast wordt in zijn oude glorie hersteld

De schrik slaat je om het hart. Willen mensen in een stad wonen die zo sterk is verdicht met hoge gebouwen met een groot gebrek aan groene verblijfplaatsen dichtbij? Het uitzicht uit de woontorens zal mooi zijn, maar waar zijn de grote groene ruimten – klimop of andere gevelbegroeiing, daktuinen? Aardig, maar dat kan toch niet serieus genomen worden als alternatief? De meeste mensen willen genieten van een park met mooie bomen en aanplant, om te mijmeren, te wandelen, te spelen en te sporten.

Nu in de crisis beseffen wij pas de grote waarde van deze publieke groene ruimten voor de volksgezondheid. Tezamen met aangename straten dragen deze groene „wereldjes” ook bij aan de beleving van de stad als veilig, ontspannend, leefbaar en herbergzaam. Niet alleen de – letterlijk – overheersende hoogbouw met zijn omgeving speelt hierin een belemmerende rol. Ook het verkeer. Te veel ruimte voor auto en scooter, te weinig aandacht voor fiets en voetganger. Nodig is minder verstening en asfaltering, meer behoud, herstel en aanleg van plantsoenen en parken, meer ruimte voor voetgangers en fietsers. Voor onze veiligheid en gezondheid, de natuur in de stad, en niet te vergeten: het Mooi.

Het Park is wel/geen woongebied

Aan de technocratische architectocratie met zijn hoogbouwzucht moet een halt worden toegeroepen: een gezond milieu in een humane stedelijke sfeer, dát is de taak van nu. Meer ambiance: een prettige stadse sfeer met goede voorzieningen en aangename straten en plekken. Wie woont graag in een peperdure, versteende, massief hoog gebouwde omgeving? Zeker, expats, rijkere studenten en een bepaald type huishouden (veelal tweeverdieners). Maar veelal voor een korte periode omdat zij veelvuldig verhuizen. Het overgrote deel van de woningzoekenden (vaak dezelfde in een andere levensfase) zijn hiermee niet geholpen. Zij zijn gebaat bij woonvormen die tegemoetkomen aan hún woonbehoeften: goede en betaalbare volkshuisvesting in een met groen, speel- en sportvoorzieningen ingericht woonmilieu. Dát zijn de woningen voor onze zo beproefde dienstverleners: zorgverleners, agenten, brandweermensen, vuilophalers, en vele werkers. Zij bewonen niet de hoogbouwappartementen tegen astronomische huur- en koopprijzen. Neem de kolossus aan het circuit Drooglever-Fortuyn (hoe cynisch: „Little C”). Ertegenover op de Parkhaven wil een private bouwcombinatie een reeks gebouwen van 45 -70 meter neerzetten, links en rechts in het groen naast de Euromast. Wég kans om hier een fraai verblijfsgebied te maken op een van de mooiste historische plekken van de stad. Zie ook het massieve blok dat men in Oosterflank wil neerzetten, waartegen de omwonenden nu in het geweer komen. Dit soort aanpak is een consumptief gebruik van de ruimte: geven aan weinigen, nemen van velen.

Het roer van de verstening en de verhoging moet om. Door wie? De Gemeenteraad, het hoogste orgaan van de gemeente. Omwille van een herbergzame, aangename en gezonde sfeer in een humane stad. Voor de woningnood moet de gemeente, heel gewoon, een samenhangend plan maken voor stedelijke uitbreiding op grote schaal, om snel veel, goede en betaalbare woningen te bouwen. Daar hebben de woningzoekenden echt iets aan, niet aan peperdure hoogbouw op aan de gemeenschap onttrokken mooie plekken in de stad.

Geef de stad meer ruimte en groen. Niet de Wijbengiaanse groenaankleding, maar échte groene ruimte. Niet de Kurviaanse dichtheidsfixatie, maar ruim opgezette groene woongebieden. Meer groen in de stad. Dat is de opgave.

, stedenbouwkundige en cultuurwetenschapper