Opinie

De corona-app en de steile leercurve voor de Tweede Kamer

Het gelegenheidsduo van technologierivalen Apple en Google kondigde deze week een nieuwe tool aan. Hun gezamenlijke Exposure Notification Express moet eenvoudig contact helpen traceren met mensen die mogelijk besmet zijn met Covid-19. Hiermee is downloaden van een corona-app niet meer nodig. Bij updaten van software op de telefoon krijgt de gebruiker die traceringsfunctie er automatisch bij. Ze wordt geactiveerd wanneer zorgorganisaties het systeem gaan gebruiken voor signaleren van besmettingen.

Na deze aankondiging volgde ik nieuwsgierig het debat in de Tweede Kamer over de CoronaMelder, zoals de Nederlandse corona-app officieel heet, het Nederlandse contacttraceringsbeleid en de tijdelijke wet die ervoor nodig is. Wellicht zou minister De Jonge (CDA) van Volksgezondheid de kans grijpen om zijn moeizame prestigeproject in te ruilen voor de Amerikaanse toepassing. Maar met geen woord werd gerept over de jongste ontwikkelingen uit Silicon Valley. Dat is merkwaardig. De twee giganten kunnen door hun schaal immers eenvoudig een wereldwijde norm stellen met de nieuwe software.

Wel ging het in het debat nog even over de Appathon in april, waarbij enkele van honderden geïnteresseerde partijen een app-ontwerp mochten pitchen. Niet één ervan werd uitgekozen. Die appathon was onderdeel geweest van een bewuste zoektocht naar de beste oplossing, aldus de minister. Hij zei erbij dat het werken met vrijwilligers uit de open source community hem een kijkje had gegeven in een wereld die hij niet kende.

De corona-app bleek geen voorwaarde om uit de lockdown te komen

De technologie blijkt inmiddels niet langer voorwaarde om uit de lockdown te komen, zoals De Jonge het destijds deed voorkomen. Na enkele lessons learned blijkt de technologie nog slechts hulpmiddel. Dat de CoronaMelder nog altijd niet is uitgerold, verklaart de minister doordat heldere wettelijke kaders opstellen tijd vergt. Op die begrijpelijke voorwaarde drongen burgerrechtenverdedigers en wetenschappers al veel eerder aan. Maar in april, toen De Jonge de app aankondigde, zou die nog dezelfde maand gelanceerd worden.

Klaar of niet, wettelijk kader of niet, voldoende testcapaciteit of niet, de CoronaMelder is in de testfase al een miljoen keer gedownload. Op basis van eerste gebruikerservaringen, cijfers en indrukken wilden Kamerleden nog een en ander opgehelderd hebben, en stelden daar een serie vragen over. Ze hielden de wetstekst tegen het licht. Onrust over privacyrisico’s maakte plaats voor zorg over de effectiviteit van de app, onrust over cyberveiligheid voor zorg over de maatschappelijke impact. Onterechte foutmeldingen, rekenmodellen, schijnveiligheid en mensen zonder smartphones – het kwam allemaal voorbij. Allemaal kwesties waarvoor wetenschappers en critici graag een oplossing hadden gezien vóórdat de app ontwikkeld werd.

De Jonge zegde een doorlopende evaluatie toe, omdat hij veel antwoorden nog niet kon geven. De inzichten over beoogde en niet beoogde effecten van de CoronaMelder zal hij maandelijks met de Kamer delen.

Nog voor de eerste evaluatie is al één effect vast te stellen: de discussie over de app levert politici een steile leercurve op over de werking en impact van technologie. Hopelijk wordt die doorgezet. Dan kunnen politici in toekomstige debatten scherper bespreken hoe zij ook andere IT-projecten of nieuwe toepassingen uit Silicon Valley kunnen omkleden met de juiste wettelijke voorwaarden. Het is essentieel dat democratisch gekozen volksvertegenwoordigers niet achter de feiten aanlopen als ze een noodzakelijk tegenwicht willen bieden aan de machtige positie van bedrijven als Apple en Google.

Marietje Schaake schrijft om de week op deze plek een column over technologie, beleid en economie.