Recensie

Concertgebouworkest begint seizoen met goedgehumeurde Weners

Recensie Herreweghe dirigeert goedgehumeurde maar ietwat eenvormige Weense klassiekers.

Het Concertgebouworkest. Foto Simon van Boxtel
Het Concertgebouworkest. Foto Simon van Boxtel

Regelmatig de Weense klassieken oppoetsen, geldt als een weldaad voor de gezondheid van elk orkest, want het verschoont de luchtwegen: deze stukken vragen om heldere en verstaanbare klanken. En dat kun je de musici van het Concertgebouworkest wel toevertrouwen, hoe geheimzinnig en mystiek de dirigent Philippe Herreweghe er meestal in concerten ook een slag naar slaat.

In Haydns Londense Symfonie nr.96, getooid met de bijnaam Miracle, bleek de strijkersbezetting – rond de veertig in getal – omvangrijk en zwaar, waardoor de houtblazers in de tutti’s te vaak het onderspit moesten delven, al mocht hoboïst Alexei Orgintchouk stralen in het derde deel, dat met zijn solo’s bijna een klein hoboconcert is.

De grote strijkkrachten bij Haydn waren vooral toegesneden op het tweede werk, Schuberts Zesde symfonie. Er valt iets voor te zeggen om in een concert zonder pauze niet van bezetting te wisselen (op een paar klarinetten na), maar dat besluit liet wel het contrast tussen beide componisten verdwijnen. Schubert wekte de indruk een update van Haydn te zijn, temeer omdat beide symfonieën eenzelfde opgewekte stemming bezitten. Het veroorzaakte een eenvormigheid: meer van dezelfde jeugdige vreugde en onschuld - muziek die plezier heeft in zichzelf.

Daar is niets op tegen, maar het geheel miste door de opgeruimde sfeer toch wat substantie. De suspense die soms om de hoek keek, liep steeds af met een sisser. Dit werd een gesprek tussen componisten die elkaars opvattingen voortdurend bevestigen. De muziek schuurde nergens en riep geen vragen op, zij ontpopte zich als een beeldschoon kostuumdrama, alleen dan zonder drama.

Het hangt natuurlijk allemaal samen met waar je als luisteraar naar zoekt en verlangt. Wie kwam om zijn oor te laten strelen en kietelen door twee goedgehumeurde Weners, die ging zonder meer huiswaarts met een opgeruimd gemoed. En dat is ook wat waard.